Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. IV, V, VI.

v. b. (sub a). Vgl. ook Reichsgericht 5 April 1899 E. C. S. 43 p. 424 (426) en Deutsche Juristen Zeitung v. 1 Aug. 1903, Beilage IV, 5 (geen sententia declaratoria over het objektieve recht, geen rechtskundig advies door den rechter).

V.

— Het beginsel dat een competentieregeling der Nederlandsclie wet geen bevoegdheid toekent aan een buitenlandse)h rechter, is voor het bizondere geval van art. 490 B. W. uitgesproken door H. R. 16 Juni 1905 W. 8248, R.spr. 200 § 42, P. v. J. no. 464, G. st. no. 2817 sub 10.

VI. Gezag van gewijsde der beslissing over 's rechters competentie.

(Vgl. hierbij op art. 1 R. O. sub D.)

§ 1

1. a. Voor burgerlijke zaken is, in geval van uitdrukkelijke beslissing door den H. R. omtrent de competentie der rechterlijke macht, deze als vaststaande aangenomen ook voor den H. R., bij diens arrest van 17 Juni 1881 W. 4650, R.spr. 128 § 27, v. d. Hon. B. R. 46 p. 452.

In gelijken geest in een geval, waar naar het schijnt geen uitdrukkelijke beslissing was gegeven over de competentie van den Nederlandschen rechter, Hof Arnhem 6 Juni 1900 W. 7493. Vgl. ook Rb. Gron. 30 Mei 1845 R. Bijbl. 1845 p. 684, en naar aanleiding van dit laatste vonnis L. J. van Riemsdijk in N. Bijdr.

1860 p. 565—568.

8. b. Hof Overijssel 6 Febr. 1860 W. 2159 en 2183 (concl. 0. M. in W. 2156), vernietigend Rb. Deventer 12 Okt. 1859 \V.

Sluiten