Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2142, nam, evenals het vonnis a quo, aan dat uit een vonnis van den Kantonrechter, zich incompetent verklarend ratione materiae, niet volgde dat de Rechtb. nu competent was, daar de competentieregeling is van openbare orde. Dit laatste argument kan intusschen slechts afdoende zijn, als niet reeds door het gewijsde vaststaat of de rechter al dan niet competent is. Overigens is het hier de vraag of een incompetentverklaring ratione materiae van zichzelf door den Kantonrechter alleen gezag van gewijsde heeft voor wat betreft eigen competentie, d. w. z. zonder dat dit gezag mede toekomt aan de beslissing dat elk Kantonrechter incompetent is, dan wel of ook dit laatste als vaststaande moet worden aangenomen. Dit hangt af van den positieven inhoud der beslissing des Kantonrechters in verband met de vraag naar den omvang van het gezag van het gewijsde in het algemeen. Ygl. hierbij Gaupp—Stein, Die C. P. O. fürdas Deutsche Reich, 6e u. 7e Aufl. 1904, ad § 11 p. 48.

3. c. Hof Overijssel 10 April 1843, Hertzveld, Onuitg. burg. regtspr. Hof Overijssel (1876) p. 15—16, nam aan dat een vonnis der Rechtb. zich competent verklarend, den hoogeren rechter niet belet in appèl van een later vonnis dier Rechtb. tusschen dezelfde partijen in dezelfde zaak gewezen, zich ambtshalve ratione materiae incompetent te verklaren. Of hier met dezelfde zaak bedoeld is dezelfde procedure, blijkt niet. Zoo ja, dan gaat dit arrest uit van de opvatting dat de hoogere rechter niet zou zijn gebonden aan het gezag van het gewijsde, van den lageren.

41. d. Over de strekking van een gewijsde op de exceptie van incompetentie ratione materiae vgl. ook J. C. v. d. Kasteele in Themis 1845 p. 30—37. Hij behandelt de vraag of die exceptie na haar afwijzing nog eens kan opgeworpen op een anderen grond. Deze vraag is — in een strafzaak — ontkennend beantwoord door Ktg. 'sGrav. 22 Dec. 1842 W. 363. Ygl. in anderen zin dan dit vonnis R. Adv. 2 p. 140—142. Hieromtrent vgl. ook Gaupp—Stein geciteerd hierboven sub no. 2.

5. e. Rb. Arnhem 13 Dec. 1855 W. 1757, R. Bijbl. 1856 p. 615, nam aan dat de stilzwijgende beslissing over eigen competentie

Sluiten