Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij een formeel in kracht van gewijsde gegaan interlocutoir vonnis, den rechter niet bindt voor zijn eindvonnis, en dus evenmin den appèlrechter. Dit is niet in strijd met het sub no. 1 geciteerde arr. H. R. van 1881, èn omdat het daar een uitdrukkelijke, hier een stilzwijgende beslissing over de competentie gold, èn wegens den regel 1'interlocutoire ne lie pas le juge, een uitvloeisel hiervan, dat het interlocutoir als zoodanig geen gezag _ van gewijsde heeft, vgl. Alg. Begins. XIII no. 4.

§ 2.

®. a. Voor strafzaken is de bindende kracht der beslissing over de competentie (hier van den Kantonrechter) voor het O. M. aangenomen door H. R. 7 Mei 1844 R.spr. 18 § 2, v. d. Hon. Sr. 11 p. 278; H. R. 30 Sept. 1901 W. 7651, R.spr. 188 § 56, v. d. Hon. Sr. 1901 p. 341, P. v. J. 1901 no. 79, en H. R. 2 Nov. 1903 W. 7987 R.spr. 195 § 15, v. d. Hon. Sr. 1903 p. 374, P. v. J. no. 299, (contra O. M.). Dit laatste arrest nam aan, dat ingevolge incompetentverklaring door den Kantonrechter, terugwijzing door de Rechtb. naar het Ktg. was uitgesloten, doch dat de Rechtb., acht zij den Kantonrechter competent, wèl ingevolge art. 218 lid 4 Sv. de zaak zelf kan afdoen. Het stelsel van dit arrest schijnt mij inconsequent toe. Art. 218 lid 4 Sv. onderstelt evenals lid 1, dat de zaak is ter competentie van een ander, hier den Kantonrechter, en juist dat dit niet het geval is, staat vast krachtens het gewijsde van incompetentverklaring van den Kantonrechter.

9. b. Dat de lagere rechter gebonden is aan de uitspraak van den hoogeren in dezelfde zaak omtrent de competentie van den eerste, beslisten in strafzaken H. R. 5 Mei 1846 W. 734, R.spr. 24 § 35, v. d. Hon. Sr. 1846 I p. 344, waarbij vgl. het in dezelfde zaak gewezen arr. H. R. 23 Febr. 1847 W. 819, R.spr. 26 § 75, v. d. Hon. Sr. 1847 I p. 93. Vgl. ook H. R. 2 Febr. 1841 W. 160, R.spr. 7 § 19, v. d. Hon. G. Z. 1 p. 285, casseerend het in tegengestelden geest gewezen arr. Hof N.-Brab. 2 Dec. 1840

Sluiten