Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 137. In gelijken zin als de hier geciteerde arresten van den H. R.: Hof Z.-Holl. 12 Okt. 1866 W. 2849, vernietigend het in tegengestelden zin gewezen vonnis Rb. 'sGrav. 24 Juli 1866 W. 2826. Eveneens in gelijken zin als de H. R.: Ktg. 'sGrav. 22 Dec. 1842 W. 363 en Ktg. Winschoten 3 Febr. 1879 W. 4347, met welk laatste vonnis zich inzoover vereenigt A. Teix. de Mattos in W. 4354 p. 4, die het echter bestrijdt voorzoover de Kantonrechter zich ook gebonden achtte aan de overwegingen der Rb. Hij wijst ook op de mogelijkheid, dat een rechter zich niet gehouden oordeelt aan de beslissing van den hoogeren over de competentie, vgl. nu art. 247 nieuw Sv.

Anders dan de hiervóór vermelde jurisprudentie: H. R. 24 Juni 1856 W. 1887, R.spr. 53 § 47, v. d. Hon. Sr. 1856 I p. 415, R. B. 1856 p. 529, in het belang der wet casseerend Hof N.-Holl. 25 Juni 1855 W. 1656, R. B. 1855 p. 489, waarbij was vernietigd het in gelijken zin als het arr. H. R. van 1856 gewezen vonnis Rb. Alkmaar 8 Mei 1855 W. 1643, R. B. 1855 p. 395. In dien laatsten zin ook Rb. Leeuw. 15 Maart 1843 W. 383. Vgl. Léon—Teixeika op art. 248 oud Sv. sub no. 5 p. 821—823, 824 sub lo en 2o en p. 825, en denzelfde no. 28 op art. 380 oud Sv.

De hier behandelde vraag heeft zelfstandig belang met het oog op de kwestie naar het gezag van gewijsde eener beslissing (ook implicite gegeven) over de rechterlijke competentie. Zij is echter een onderdeel van de vraag in hoever in het algemeen de lagere rechter, speciaal na verwijzing in dezelfde zaak, gebonden is aan de beslissing des hoogeren. Hierover zie voor burgerlijke zaken H. R. 4 Febr. 1859 W. 2035, R.spr. 61 § 23, v. d. Hon. B. R. 23 p. 71, beslissend dat de rechter wien het aangaat, volgens de wet verplicht is tot inachtneming van het gewijsde van den H. R. in cassatie over de verdere behandeling van het geding, — en voor strafzaken de jurisprudentie bij Léon—Teix. 1.1. no. 5 op art. 248 oud Sv. — Ygl. ook voor cassatie O. Mayer, Deutsches Yerwaltungsrecht I p. 202 jo 203 en nt. 19 op p. 204.

Sluiten