Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3.

8. Een andere vraag dan die aangeduid in het slot van § 2 hiervóór, is deze of de lagere rechter, in burgerlijke zoowel als in strafzaken, gebonden is aan de beslissing — en dan ook aan die implicite genomen — van den hoogeren omtrent diens eigen competentie (in appèl). Bij de eigenlijke rechtspraak zal de uitdrukkelijke beslissing daaromtrent als gewijsde moeten geëerbiedigd, terwijl dit ook het geval is voor de implicite gegeven beslissing, voor zoover aan deze in zake competentie genomen, in het algemeen gezag van gewijsde toekomt. (Hierbij is het dan nog de vraag of dit materieele gezag van gewijsde afhankelijk is daarvan of de beslissing formeel in kracht van gewijsde is gegaan.)

Bij voluntaire jurisdictie is er geen gezag van gewijsde, zie Alg. Begins. II no. 2. Daarom schijnt de lagere rechter, al acht men hem krachtens hiërarchisch verband gebonden aan de beslissing van den hoogeren, voor zoover genomen binnen diens formeelen bevoegdheidskring, gerechtigd naar dien bevoegdheidskring zelfstandig onderzoek in te stellen — en, is de zaak z. i. niet voor appèl vatbaar, zich niet te houden aan een toch in appèl, en dus z. i. onbevoegdelijk gegeven beschikking des hoogeren rechters. In dien zin Ktg. no. 2 Amst. 25 Okt. 1894 en 17 Jan. 1895 W. 6612, terwijl in deze zaak Rb. Amst. 21 Dec. 1894 W.l.1. den Kantonrechter wèl gebonden achtte aan haar beschikking, die art. 1118 B. W. betrof. — Vgl. ook hierna §§ 5 en 6.

§ 4.

Dat de burgerlijke rechter niet is gebonden aan een dooide Kroon in een geschil te harer competentie eventueel tevens gegeven beslissing, die niet tot haar competentie behoort, is implicite beslist door Rb. 's Hertog. 26 Jan. 1900 "VV. 7398, W. B. A. 2652, G. st. 2533; door Rb. Leeuw. 6 Sept. 1870 vermeld sub R. v. St. 11 p. 111—112; Rb. Assen 7 Sept. 1857 W. 1889, en Rb. Brielle 27 Juni 1849, R. B. 1849 p. 547.

Sluiten