Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arr. H. R. 17 Juni 1881 meende, dat wèl de competentie kon onderzocht van den rechter die de beschikking gaf, doch niet de juistheid dier beschikking. Dit betreft de vraag van ruimer strekking of daden van zg. vrijwillige rechtspraak, en in het algemeen administratieve ambtshandelingen, niet enkel wat aangaat den formeelen bevoegdheidskring, doch ook voor de materieele geldigheid, door den rechter aan de wet mogen worden getoetst, waarover zie Alg. Begins. XVI. Ten opzichte van daden van voluntaire jurisdiktie (hier ook benoemingen), is deze vraag implicite ontkennend beantwoord door H. R. 4 Juni 1880 W. 4514, R.spr. 125 § 15, v. d. Hon. Z. R. S. 6 p. 279, W. v. N. R. 551 (cf. Adv.-Gen. Polis), en Rb. 's Hertog. 28 Jan. 1898 W. 7223, W. v. N. R. 1479. Anders echter Hof Z.-Holl. 23 Jan. 1860 W. 2145, vernietigend het op dit punt in tegengestelden zin gewezen vonnis Rb. Rott. 29 Juni (niet Juli) 1859 W. 2145 en 2164. Zie ook Rb. Zutph. 19 Jan. 1905 W. 8189, vernietigend een naar oordeel der Rb. onwettig verlof van haar Pres. voor dagvaarding tot echtscheiding, waarvan partij nietig verklaring had gevraagd, waarbij vgl. de aanteekening van den inzender 1.1. —Ygl. hierbij J. D. Meyer, Esprit... des instit. judiciaires ... Amst. 1823, t. 6, p. 212—213 jo. p. 218—219. — Bij het voorafgaande vgl. ook H. R. 9 Febr. 1906 W. 8336 naar aanleiding van art. 119 lid 3 jo. art. 67 der Failliss.wet.

Als men aanneemt dat beschikkingen van voluntaire jurisdiktie zijn daden van administratie, den rechter bij de wet opgedragen, zonder dat hierbij sprake is van gezag van gewijsde, alsmede dat in het algemeen de wettigheid van ambtshandelingen in een proces door den rechter mag worden onderzocht als dit noodig is voor de te geven beslissing, —• dan kan ook op de in dit no. gestelde vragen het antwoord niet anders dan bevestigend luiden, zoolang de wet niet een tegengestelde bepaling bevat. Yan dit standpunt is dus onjuist de hier weergegeven leer van den H. R., die het incidenteele onderzoek naar de wettigheid eener daad van vrijwillige rechtspraak niet toelaat, ook waar onwettigheid dier daad nietigheid zou meebrengen, en a fortiori

Sluiten