Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dan onjuist de opvatting, dat de rechter in een later proces niet incidenteel zou hebben te onderzoeken of een in voluntaire jurisdiktie gegeven beschikking afkomstig is van den competenten rechter. — Vgl. bij het voorafgaande § 7 der Duitsche wet betreffend die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit van 17/20 Mei 1898 en den kommentaar daarop van R. Schultze—Görlitz (1900) p. 26—27. Vgl. ook E. Josef, Die materielle Rechtskraft im Streitverfabren der freiwilligen Gerichtsbarkeit... in Zeitschrift für deutschen Zivilprozess 31 (1902—1903) p. 71—88. Vgl. verder no. 8 hiervóór.

VII. Gevolgen van 's rechters incompetentie en van vernietiging eener incompetentverklaring.

1. De rechter, zich onbevoegd verklarend, mag geen beslissing omtrent de zaak zelf geven. Dit volgt uit grond en strekking der onbevoegdverklaring. Voor strafzaken vgl. bovendien ait. 153 S\.

H. R. 31 Okt. 1887 W. 5489, R.spr. 147 § 22, v. d. Hok. Sr. 1887 p. 377. Vgl. H. R. 27 Mei 1862, R.spr. 71 § 11, v. d. Hon. Sr. 1862 p. 188 (op het tweede cassatiemiddel).

Zie voor de vraag welke gevolgen incompetentie van den rechter in burgerlijke zaken heeft voor de opheffing van een gelegd beslag Alg. Begins. XI sub no. 49.

58. Verwijzing, desgevraagd, naar den competenten rechtei, is geoorloofd ook in .burgerlijke zaken.

Hof N.-Holl. 30 Dec. 1858 W. 2110.

Vgl. artt. 358, 421 Rv.; art. 247 lid 2 Sv.

3. Vernietiging eener incompetentverklaring door den hoogeren rechter doet mede vervallen de door den lageren tegelijk gegeven beslissing, die van de incompetentverklaring het noodzakelijk gevolg was, al zou tegen dit sequeel op zich zelf een rechtsmiddel nu nog niet openstaan.

H. R. (K. v. Sz.) 13 Okt. 1868 W. 3055, R.spr. 90 § 5, v. d. Hon. G. Z. 24 p. 248, R. B. 1869 p. 498.

Sluiten