Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Over de gevolgen van vernietiging eener incompetentverklaring vgl. nog H. R. 17 Jan. 1878, vermeld sub Alg. Begins. IX no. 10.

5. Zie voor de gevolgen van gedeeltelijke incompetentie Alg. Begins. VIII.

VIII. Gedeeltelijke incompetentie.

1. a. Moet, waar de ingestelde vordering slechts ten deele behoort tot de competentie van den rechter bij wien zij is aangebracht, deze zich gedeeltelijk dan wel voor de geheele vordering incompetent verklaren? (Meerledige vorderingen, cumulatie, concursus van vorderingen.)

Deze vraag rijst vooral bij cumulatie van meerdere vorderingen in materieelen zin tot één formeele vordering, doch soms ook, waar er slechts is één, zij het zelfs ondeelbare vordering in materieelen zin, als nl. de wet de competentie afhankelijk stelt van een bepaald element (bestanddeel) dier vordering, in het bizonder van een bepaalde oorzaak, vgl. bv. art. 39 R. O., art. 15 lid 2 der wet van 22 Mei 1845 Stbl. 22, voor zoover deze bepaling wordt geacht de competentie te betreffen-, waaromtrent zie Alg. Begins. sub IX no. 55—59. Naar aanleiding van laatstvermeld wetsartikel werd een gedeeltelijke incompetentverklaring uitgesproken door Hof Amst. 25 Sept. 1891, vgl. ook in cass. H. R. 24 Juni 1892, beide arresten vermeld sub Alg. Begins. IX no. 44 en 55.

3. b. In het algemeen schijnt te kunnen worden gesteld dat waar de rechterlijke macht als geheel genomen voor de ingestelde vordering slechts gedeeltelijk competent is, zij zich niet incompetent heeft te verklaren voor de geheele vordering, doch slechts voor zoover zij incompetent is. Zie in dien zin b.v. Hof Arnhem 21 Juni 1876 W- 4009, R. B. 1876 D p. 105, G. st. 1301, W. B. A. 1421 (gecasseerd omdat de H. R. de rechterlijke macht voor de geheele vordering competent achtte, zie Alg. Begins. sub IX

Sluiten