Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f 200.— werd geëischt. Ygl. hierbij Wach C. P. R. I p. 381 sub 3, en Gaüpp—Stein 1.1. p. 39 sub II.

15. b. Over splitsing bij cumulatie bevat § 145 (136 oud) der Duitsche C. P. O. een uitdrukkelijke bepaling, waarover vgl. Gaüpp—Stein 1.1. p. 368 vlgg. Ygl. ook Wach 1.1. I p. 296. Over objektieve cumulatie zie § 260 (232 oud) C. P. O. en daarop Gaupp—Stein 1.1. p. 568 vlgg.; over subjektieve cumulatie §§ 59_60 (56—57 oud) C. P. O. en daarop Gaüpp—Stein 1.1. p. 179—181.

lii. c. Naar aanleiding der hier sub VIII opgenomen jurisprudentie worde de vraag gesteld of niet in elk gegeven geval door den rechter mag, en dan ook moet worden onderzocht of splitsing rationeel is en in het belang van partijen. Dit laatste bv. waar de geheele rechterlijke macht voor een deel der vordering incompetent is. — De gebondenheid van den rechter aan de dagvaarding schijnt toch kwalijk zóóver te moeten gaan, dat hij den eischer ook tegen diens eigen belang (mèt dat van gedaagde) de kosten zou moeten laten maken van een tweede proces voor denzelfden rechter ten gevolge eener incompetentverklaring voor de geheele vordering, ook dan als geen rechter voor die vordering in haar geheel competent kan worden geacht, zQodat eischer, alsnog zelf splitsend, toch bij denzelfden rechter moet terugkomen met dat deel der vroegere vordering, waarvoor die rechter wèl competent is. Al is er geen wetsbepaling, die splitsing door den rechter voor de competentie veroorlooft, er is er ook geen, die dit verbiedt. Aan den anderen kant schijnt splitsing allicht daar niet rationeel, waar voor de vordering in haar geheel een competente rechter is aan te wijzen, al zou voor een gedeelte een ander competent zijn, in het bizonder als er samenhang is tusschen de deelen der vordering, — tenzij zich het geval voordoet, voorzien in art. 74 i. f. Rv. — Ygl. ook Alg. Begins. sub XI no. 54 en 56. — Voor zoover de competentie of appellabiliteit afhangt van het bedrag der vordering, zie nader vóór art. 38 R. O.

Sluiten