Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX. Het onderscheid tusschen niet-ontvankelijkheid (ontoewijsbaarheid) der ingestelde vordering (verzoek, klacht), en incompetentie des rechters.

§ 1

f. a. Over het hier bedoelde onderscheid vgl. de Jonge, Admin. en Just. (1865) p. 53 nt. 2; v. Sarwey, Das öffentl. Recht etc. (1880) p. 661—672; Faure, Proc.r. I, 3e ed. p. 330 en in R. Bijbl. 1864 p. 319 vlg. — Faure beschouwt de exceptie van incompetentie als een van niet-ontvankelijkheid. Echter wordt met die exceptie in het algemeen niet bestreden de ontvankelijkheid der vordering zelf, maar haar ontvankelijkheid voor dezen rechter. Waar niet-ontvankelijkheid en incompetentie tegenover elkaar worden gesteld, wordt met de eerste vanzelf bedoeld zoodanige niet-ontvankelijkheid, die niet is gegrond op incompetentie. Vgl.- zoowel no. 2 als de hier volgende §§.

3. b. In strafzaken wees de H. R, naar aanleiding van art. 388 oud (nu 354) Sv. de volgende arresten:

De beslissing op een exceptie, die niet strekt om de zaak te onttrekken aan het onderzoek van een bepaalden rechter, maar om in het algemeen alle kennisneming daarvan te doen vervallen, is geen vonnis over onbevoegdheid. Het geldt een exceptie van niet-ontvankelijkheid, die geheel verschillend is van die van onbevoegdheid en daarmee niet mag worden verward of gelijkgesteld. — Zoo H. R. 10 Mei 1842 W. 333, R.spr. 12 §45, v. d. Hon. Sr. 7 p. 318 (Léon—Teixeira no. 6 op art. 388 Sv.).

Insgelijks H. R. (K. v. Sz.) 12 Mei 1857 W. 1872, R.spr. 56 § 8, v. d. Hon. G. Z. 11 p. 173, waar het betrof een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het appèl wegens onvatbaarheid van het vonnis voor hooger beroep. Echter is de H. R. bij de toepassing van art. 388 lid 2 oud (nu art. 354 lid 2) Sv. zichzelf niet gelijk gebleven, vgl. ook de Bosch Kemper Sv. 3 p. 399—400,

Sluiten