Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die voor dit art. elke machtsoverschrijding begrepen acht onder den term onbevoegdheid. Speciaal zijn beslissingen over al dan niet-ontvankelijkheid van het appèl, zelfs waar die niet-ontvankelijkheid was gegrond op informeele aanteekening van het hooger beroep, op overschrijding van den termijn of op het gemis aan kwaliteit bij den persoon die appelleerde, — opgevat als beslissingen over bevoegdheid door H. R. 19 Mei 1858 v. d. Hon. Sr. 1858 I p. 315; H. R. 8 Nov. 1864 W. 2646, R.spr. 78 § 21, v. d. Hon. Bel. 9 p. 124, R. B. 1865 p. 703, en H. R. 24 Juni 1872 W. 3487, R.spr. 101 § 25, v. d. Hon. Sr. 1872 p. 268. Anders echter weer H. R, 21 Juli 1874 W. 3751 p. 1 kol. 2, v. d. Hon. G. Z. 28 p. 235, en H. R, 19 Febr. 1877 W. 4107, R.spr. 115 § 26, v. d. Hon. Sr. 1877 p. 30. Vgl. Léon—Teix. no. 25 — met le Suppl.— op art. 388 Sv. Vgl. hierbij ook H. R. 8 Maart 1869, R.spr. 91 § 22, v. d. Hon. Sr. 1869 p. 52, R. B. 1869 p. 725 (Léon—Teix. no. 32 op art. 388 Sv.), waarbij een weigering der Rb. tot aanvulling der instructie door een rechter-commissaris gevoerd, hierop gegrond dat in het gegeven geval de wet den rechtercommissaris niet onder het toezicht der Rb. wilde stellen, als een beslissing over onbevoegdheid werd aangemerkt.

Bij het hiervóór vermelde arr. H. R. van 10'Mei 1842 vgl. ook nog H. R. 29 Aug. 1843 W. 536, v. d. Hon. Sr. 10 p. 235 (Léon—Teix. no. 10 op art. 388 Sv.): Onder vonnissen van onbevoegdheid zijn niet begrepen al de zoodanige, waarbij de rechter als terloops aanwijst zijn bevoegdheid tot deze of gene voorloopige uitspraak, maar die waarbij hij zijn bevoegdheid uitmaakt om van een aan hem onderworpen zaak kennis te nemen en haar bij eindvonnis te beslissen. — Vgl. ook no. 77 hierna.

3. Is niemand competent, dan vallen onbevoegdheid en nietontvankelijkheid samen. Dit geldt ook ten opzichte der kennisneming in appèl van een vonnis in hoogste ressort gewezen. De rechter moet dan zich incompetent en appellant niet-ontvankelijk in het appèl verklaren. Zoo H. R. 6 Maart 1857 W. 1836, R.spr. 55 § 38, v. r>. Hon. B. R. 21 p. 155 (contra O. M. R.spr. 1.1. p. 195—197). Zie ook het arrest a quo Hof Geld. 2 April 1856

Léon: Hecht spraak, 3e Druk. Deel II, afl. 1. 3

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten