Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 1777, R.spr. 54 § 62: incompetentverklaring. In gelijken zin Hof Amst. 10 Jan. 1896 W. 6797 p. 2 en 14 Sept. 1894 W. 6571, waartegen Red. I.I., alsmede Rb. Amersfoort 5 Jan. 1862, R. B. 1864 p. 315, waarover v. B. F. aldaar p. 318—322, in den geest van het zooeven vermelde arr. H. R. 6 Maart 1857. —• Vgl. hierbij het sub no. 2 vermelde arr. H. R. van 12 Mei 1857 naar aanleiding van art. 388 oud Sv.

Hof N.-Brab., 18 Jan. 1859 W. 2030 verklaarde zich in appèl incompetent op overweging dat art. 2 R. O. niet omvat handelingen, in den boezem van rechterlijke colleges verricht zonder dat partijen er bij betrokken waren, in welk geval enkel artt. 95 jo. 99 R. O. toepasselijk zijn. Naar aanleiding hiervan werd in cassatie door Proc.-Gen. v. Maanen vóór H. R. 25 Febr. 1859, R.spr. 61 § 41 p. 216 opgemerkt, dat deze incompetentverklaring juist zou zijn als de geciteerde stelling betreffende art. 2 R. O. opging, doch dat dit niet het geval is, nu blijkens het slot van 'sHofs arrest niet alle rechterlijke colleges volgens het Hof incompetent waren, — en dat nu niet-ontvankelijkverklaring van het appèl had moeten volgen. Vgl. op art. 2 R. O. sub C § 2. Het zg. appèl was hier metterdaad een beklag over een handeling der Rb., in welk beklag het Hof zich incompetent verklaarde, nu geen wetsbepaling het Hof competent maakte.

§ 2.

4. De onderscheiding tusschen incompetentie en niet-ontvankelijkheid heeft praktisch belang, o. a. 1<>. om het gezag van gewijsde der beslissing. Bij incompetentverklaring mag eischer niet terugkomen voor denzelfden rechter, doch staat het vonnis niet in den weg aan een herhaling zijner vordering voor een ander rechter. Bij niet-ontvankelijkverklaring op een peremtoire exceptie of ontzegging van den eisch staat dit vonnis in den weg aan herhaling der vordering, bij welken rechter ook. Bij niet-ontvankelijkverklaring vooralsnog, slechts zoolang de grond der niet-ontvankelijkverklaring voortduurt; bij niet-ontvankelijk-

Sluiten