Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaring van een eisch zooals deze is ingesteld, slechts aan een vordering op dezelfde wijs aangebracht. Voor zoover een niet-ontvankelijkheid berust op gronden, enkel geldend voor dezen rechter, heeft zij praktisch gelijk resultaat als incompetentie.

De onderscheiding is 2o. van belang voor de toepassing van bepalingen als artt. 99 laatste lid R. O., 68 lid 2, 333, 358 Rv., art. 354 lid 2 Sv. Ygl. hiervóór no. 2 en hierna no. 74—79. Intusschen moet voor elke bepaling afzonderlijk worden nagegaan in welke beteekenis het woord onbevoegdheid is gebezigd.

Ook is de onderscheiding 3<>. van belang, omdat, wordt zij verwaarloosd, vernietiging van het vonnis in appèl of cassatie kan volgen, respektievelijk een exceptie worden ter zijde gesteld.

Ygl. echter hierna no. 74—79.

Zie ook sub no. 63—71 verschillende voorbeelden van miskenning der onderscheiding, veelal leidende tot verkeerde opvattingen en hierdoor tot onjuiste beslissingen. De bedoelde miskenning vindt haar grond vaak in de dubbelzinnigheid deiwoorden „bevoegdheid" en „onbevoegdheid", zie hierover p. XI der Voorrede tot dit werk ter plaatse waar gesproken wordt over de gebruikte terminologie. Vgl. nog het hiervóór sub no. 2 vermelde arr. H. R. 29 Aug. 1843 en verder de hieronder in de volgende paragrafen opgenomen beslissingen, waarvan de hoofdstrekking deze is dat, mag de rechter niet doen wat eischer van hem verlangt, dit slechts een grond is voor niet-ontvankelijkverklaring, respektievelijk ontzegging van den eisch, niet voor incompetentie, waar de competentie overigens moet worden aangenomen.

Uit enkele arresten, in de laatste jaren gewezen — zie sub no. 31 en 64 — zou misschien kunnen worden opgemaakt, dat de H. R. de hier bedoelde onderscheiding niet meer zoo streng wil opgevat hebben als vroeger (zie de andere nummers). Echter blijkt nergens van een bewuste reaktie tegen de vroegere jurisprudentie, terwijl andere arresten van den jongsten tijd — zie b. v. no. 15 —- uitdrukkelijk de onderscheiding handhaven. Vgl. ook het slot van het arr. H. R. 23 Juni 1905 W. 8250, R.spr. 200 § 50, P. v. J. no. 482, in verband met het vonnis a quo, en

Sluiten