Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor strafzaken H. R. 16 Okt. 1905 W. 8285 p. 2 kol. 3, P. v. J. no. 489. Bij deze twee arresten is, bij het eerste implicite, bij het tweede uitdrukkelijk, de ónderscheiding tusschen incompetentie en niet-ontvankelijkheid in acht genomen.

§ 3.

5. Mag de rechter den eisch (klacht) niet toewijzen, omdat de aanlegger het gestelde redit niet heeft (niet bewezen heeft), dan volge geen incompetentverklaring, doch ontzegging van den eisch. Eveneens bij een vordering tot ontkenning van een recht van gedaagde, waar deze het ontkende recht wèl heeft. Ygl. het sub no. 6 geciteerde arr. H. R. 24 Febr. 1871, en verder de andere nummers in deze paragraaf. Men lette er echter op dat het niet hebben van het gestelde recht iets anders is als het niet stellen van een recht, wat wel eens uit het oog wordt verloren, zie hierna no. 63—65. Overigens onderscheidt de praktijk niet altijd scherp de ontvankelijkheid en de gegrondheid van een vordering. Vgl. hierover Laferrière, Traité de la juridict. admin. II (1888) p. 389—390. Vgl. ook hierna 110. 9—12.

Het in dit no. 5 geformuleerde beginsel is gehuldigd in de volgende beslissingen:

6. a, De rechtmatigheid eener vordering betreft haar ontvankelijkheid, niet de competentie. Zoo H. R. 10 Dec. 1852 W. 1392, R.spr. 43 § 52, v. d. Hon. B. R. 15 p. 274. Eveneens overwoog H. R. 24 Febr. 1871 W. 3304, v. d. Hon. B. R. 35 p. 504, dat bij een eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatige onttrekking -van tiendkoren, de vraag naar de rechtmatigheid der handeling van gedaagde eerst te pas komt bij het onderzoek ten principale, doch geen invloed heeft op de competentie voor zulk een vordering. Vgl. ook A. de Pinto in Themis 1849 p. 378—379.

5. b. Overeenkomstig het sub no. 5 gezegde is de uitslag van het onderzoek van een voor de hoofdzaak praejudicieel geschilpunt niet van invloed op de competentie. Zie H. R. 17 Okt. 1873

Sluiten