Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«O. d. Hof Amst. 25 Mei 1877 W. 4129 achtte de rechterlijke macht incompetent in een vordering steunend op een recht van waterloozing en medebeheer over inlaatsluizen, op dezen grond dat het Kon. Besl. waarbij het reglement voor het eischend waterschap was vastgesteld, bepaalde dat bij verschil tusschen dit waterschap en de nu gedaagde gemeente over de krachtens bedoeld reglement d.oor beide corporaties gezamenlijk vast te stellen regeling van genoemde belangen, — Ged. St., respektievelijk de Kroon, die regeling vaststelden. Hier werd dus uit het niet volgen van den voorgeschreven administratieven weg (waarbij geen rechtspraak te pas kwam) geen niet-ontvankelijkbeid, doch incompetentie der rechterlijke macht afgeleid. Vgl. no. 22. — Voor de vraag of op andere gronden de rechterlijke macht in deze vordering al dan niet competent was, zie nader op art. 2 R. O.

2t. e. Rb. Gron. 2 Jan. 1841, vermeld in de Pasicrisie Alph. Ged. I. i. v. Admin. en Regt. Magt no. 122, achtte de rechterlijke macht incompetent in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige aanhaling door kommiezen, waar de reklame niet geschiedde zoo als art. 253 Alg. wet van 26 Aug. 1822 Stbl. 38 bepaalt. Ygl. no. 22 hierna.

29. f. In W. B. A. 2388 wordt uit art. 212 j. 205v en 225 Gem.wet geargumenteerd tegen de competentie der rechterlijke macht in een vordering tot schadevergoeding wegens het niet nakomen door een gemeente van een met een andere gemeente gesloten overeenkomst tot het oprichten en onderhouden eener gemeenschappelijke school. Zoowel deze argumentatie als de sub no. 20 en 21 geciteerde beslissingen schijnen niet in overeenstemming met de gedachte, die ten grondslag ligt aan de sub no. 13 en 14 genoemde airesten van den H. R. van 1853,1869 en 1870, dat n.1. het niet volgen van den voorgeschreven administratieven weg wel kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring der vordering, doch niet tot incompetentie der rechterlijke macht. Over de vraag in hoever het niet volgen of het te vergeefs volgen van den administratieven weg, waar deze niet imperatief is voorgeschreven, niet-ontvankelijkheid der ingestelde vordering meebrengt, vgl.

Sluiten