Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zal de rechter den eisch niet ontvankelijk moeten verklaren of dien ontzeggen". Vgl. ook 1.1. p. 367 v. o. In anderen zin echter Buys in Hand. Jur. Vereen. 1891 I p. 67.

85. a. Het sub no. 24 geformuleerde beginsel is speciaal toegepast waar het gold een bevel, dat inbreuk zou maken op de attributen (niet het karakter van rechtspraak dragend) van een ander gezag, door H. R. 18 Maart 1853, vermeld in no. 13 hiervóór, uitdrukkelijk overwegend dat, als bij overigens vaststaande competentie der rechterlijke macht, de vordering niet kon toegewezen zonder dusdanigen inbreuk, dit wel een grond is voor niet-ontvankelijkheid, doch niet voor incompetentie der rechterlijke macht, die bevoegd is te beoordeelen welke rechten en verplichtingen er tusschen partijen bestaan ten aanzien deirechtsbetrekking die onderwerp is van het geschil. Vgl. hierbij de jurisprudentie van den H. R., op te nemen op art. 99 no. 3 R. O., over het onderscheid tusschen onbevoegdheid en overschrijding van rechtsmacht, en daarover J. T. F. v. Delden, Beschouwingen over het cassatie-middel van overschrijding van rechtsmacht in verband met dat van onbevoegdheid des rechters, diss. Leiden 1889, speciaal p. 44—49, waarbij zie voor de Fransche opvatting op dit punt Laferrière, Traité de la jurid. admin. II (1888) p. 366—371. Vgl. ook de conclusies van Proc.-Gen. v. Maanen vóór H. R. 15 April 1853 bij v. d. Hon. B. R. 16 p. 326 en vóór H. R. 10 Dec. 1852 1.1. 15 p. 274, van welke laatste conclusie de aanhef in anderen geest is dan het vermelde arr. H. R. van 18 Maart 1853. Zie ook beide arresten zelf.

b. Evenals het arr. H. R. van 18 Maart 1853 de competentie der rechterlijke macht aannam op de overweging dat zij bevoegd was te oordeelen over de rechten en verplichtingen van partijen die onderwerp waren van het geschil, overwoog H. R. 13 Okt. 1843, vermeld hiervóór sub no. 23, dat de rechterlijke macht ook dan competent is in een civiele vordering tegen den Nederlandschen Staat, als de beoordeeling van de gegrondheid dier vordering in verband staat met groote staatkundige gebeurtenissen, waarin verschillende andere mogendheden mochten

Sluiten