Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«». b. H. R. 1 April 1858 W. 1944, R.spr. 58 § 56 (vgl. ook W. 1946 en 1947) achtte de rechterlijke macht incompetent in een vordering tot uitbetaling van wachtgeld (een geschil dus over schuldvordering), welk wachtgeld volgens art. 1 van het toen geldend K. B. van 2 Juli 1849 Stbl. 55, moest worden verleend. De H. R. motiveerde die incompetentie hiermee, dat de toekenning van wachtgeld was een daad van administratief gezag, liggende buiten den kring der attributen van de rechterlijke macht. — de Jonge, Adm. en Just. p. 67 in de nt. meent dat de vordering hier strekte tot toekenning van wachtgeld. Ware dit zoo, dan had kunnen verwacht incompetentverklaring op grond dat die vordering niet valt onder art. 2 R. O. Zie voor zulk een vordering, ditmaal tot toekenning van pensioen, H. R, 28 Okt. 1870 W. 3263, R.spr. 96 § 16, v. d. Hon. B. R. 35 p. 113, G. st. 1000, W. B. A. 1116, nader te vermelden op art. 2 R. O. In 1858 had eischer wel beweerd recht te hebben op toekenning van wachtgeld, maar zijn vordering strekte niet hiertoe, doch enkel tot uitbetaling. Daar er nu eerst wachtgeld was toegekend bij een Kon. Besl., dat echter op eischers verzoek was ingetrokken, zou, wegens het gemis van zulk K. B., noodig om het door eischer beweerde recht op uitbetaling te doen ontstaan, hier kunnen zijn verwacht een niet-ontvankelijkverklaring of ontzegging van den eisch, bij competentie der rechterlijke macht. Zoo ook S. M. S. de Ranitz in Themis 1861 p. 276. Vgl. H. Krabbe, De burgerlijke Staatsdienst in Ned., diss. Leiden 1883 p. 275—276.

Een dergelijke opmerking geldt voor een analoog geval, beslist door Rb. Amst. 13 Juni 1893, P. v. J. 1893 no. 69. Hier vorderde eischer van de gedaagde gemeente uitbetaling van een jaarlijksch pensioen tot zijn overlijden. Op grond dat er geen pensioen was verleend en volgens de Rechtb. alleen van verleend pensioen uitbetaling kon gevorderd worden, legde zij de dagvaarding uit als strekkende tot erkenning van eischers recht op pensioen ook voor latere termijnen. De Rb. achtte nu de rechterlijke macht incompetent, op oveiweging dat de grondslag der vordering was

Sluiten