Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslissingen, waarbij zulk argument wordt gebezigd, als de rechterlijke competentie niet reeds op een anderen grond berust, niet in direkten strijd met de jurisprudentie, vermeld hiervóór sub no. 25—27, omdat daarbij die competentie wèl op een anderen grond werd aangenomen. Het hier bedoelde argument voor incompetentie is b.v. gebruikt in het tweede gedeelte der zevende overweging van het arr. H. R. 21 Dec. 1900 W. 7537, R.spr. 186 § 63, v. d. Hon. B. R. 66 p. 442, P. v. J. 1901 no. 4, W. B. A. 2710; door H. R. 10 Febr. 1854 W. 1517, R.spr. 47 § 5, v. d. Hon. B. R. 18 p. 135, en door het arr. a quo Hof N.-Holl. 6 Jan. 1853 W. 1403, R. B. 1853 p. 1. Ook door Rb. Deventer 28 Sept. 1842 W. 469, in zoover daarbij voor incompetentverklaring mede is aangevoerd dat de macht des rechters ophoudt, waar de wet geen middelen tot beteugeling aangeeft of die aan anderen opdraagt. Dit vonnis is gecasseerd door H. R. 12 Jan. 1844 W. 469, R.spr. 17 § 15, v. d. Hon. G. Z. 2 p. 379, zie nader op art. 2 R. O. — Vgl. hierbij ook Ktg. 'sGrav. 6 Maart 1854 W. 1526, in zoover dit vonnis incompetentie der rechterlijke macht aannam in een vordering tot betaling van kerkelijke boete, op overweging dat uit art. 164 Grw. 1848 (nu art. 167) zou volgen dat de rechter niemand mag noodzaken tot het waarnemen van kerkelijke ceremoniën of tot het betalen van daaromtrent gestelde boeten. Zie de kritiek van dit vonnis (ook vermeld hierna sub no. 51, zie ook op art. 1 R. O. sub G no. 3 en 12) door W. Tonckens, De rechtspraak in kerkelijke zaken, diss. Gron. 1873 p. 131. — Vgl. verder de concl. O. M. vóór Rb. Gron. 1 Maart 1895, P. v. J. 1895 no. 37, W. B. A. 2387, waarin als reden voor incompetentie deirechterlijke macht in een vordering tot ontbinding eener tusschen twee gemeenten aangegane overeenkomst (regeling) als bedoeld in art. 121 Gem.wet, werd aangevoerd dat de rechter de verlangde opheffing niet mag uitspreken, daar de regeling slechts kan opgeheven bij gemeenschappelijk besluit der betrokken gemeenten. Vgl. 110. 33 en 69. — Zie voorts de concl. O. M. vóór Rb. Amst. 24 Dec. 1895 W. 6765 tot incompetentie der rechterlijke macht in een vordering tot ontbinding eener overeenkomst tusschen

Sluiten