Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gemeente en een gasmaatschappij, op grond dat de concessie zou zijn van publiekrechtelijken aard en dus door den rechter niet kon ontbonden, daar deze geen bestuursdaad ongedaan mag maken. — Ygl. de hier geciteerde vonnissen nader op art. 2 R. O.

§ 7.

38. Mocht het den rechter niet geoorloofd zijn te treden in de beoordeeling van eenig zuiver praejudicieel geschilpunt (in tegenstelling tot zoodanig praejudicieel geschilpunt dat mede onderwerp is der vordering, vgl. hierna no. 44—46 en Alg. Begins. XIY no. 4 en 5), — dan kan dit, waar overigens de rechter competent moet geacht, wel een grond zijn voor nietontvankelijkheid, doch niet voor incompetentie. — Vgl. ook Alg. Begins. XIY § 2.

33. Is het sub no. 32 geformuleerde beginsel, in de hierna volgende beslissingen gehuldigd, juist, — dan kan óok niet opgaan een argument voor incompetentie hieraan ontleend dat de rechter niet zou mogen beoordeelen een zuiver praejudicieel geschilpunt. Omdat echter bij de in no. 34—36 vermelde beslissingen sprake is van reeds van elders vaststaande competentie der rechterlijke macht, is met deze niet in direkten strijd het bezigen van bedoeld argument in een geval waar die competentie niet overigens vaststaat. Dit is, althans ten deele geschied in het eerste gedeelte der zevende overweging van het in no. 31 vermelde arr. H. R. van 21 Dec. 1900. — Zie ook Rb. Gron. 1 Maart 1895, mede sub no. 31 vermeld. Dit vonnis achtte de rechterlijke macht incompetent, omdat deze volgens de Rb. ingevolge art. 16 der wet op het Lager Onderwijs niet praejudicieel de beteekenis zou mogen onderzoeken der getroffen gemeenschappelijke regeling, een beslissing die men eerder in Frankrijk zou verwachten dan hier.

34. Het sub no. 32 aangeduide beginsel is speciaal toegepast voor het geval dat zou moeten worden aangenomen, dat het aan de rechterlijke macht in het algemeen niet geoorloofd is bestuursdaden te beoordeelen (waarover zie Alg. Begins. XVI). in de volgende beslissingen:

Lkon: Hechtspraak, 3e Druk. Deel II, afl. 1. 4

(Mr. L. van Pbaag, Recht. Org.)

Sluiten