Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingestelde lioofdvordering, zie hieromtrent nader sub Alg. Begins. XI no. 48.

43. Voor de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad zie hierna no. 44—47; voor de terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald no. 53—57.

43. Werd in vele der bovenstaande beslissingen uit een vermeend niet mogen beoordeelen van het praejudicieele geschilpunt incompetentie der rechterlijke macht afgeleid, omgekeerd concludeerde Rb. Sneek 22 Juni 1868 W. 3024 uit de bevoegdheid tot zulke beoordeeling tot de competentie des rechters.

§ 8.

44. In tegenstelling met de arresten sub no. 34 -36 vermeld, is beslist dat de rechterlijke macht incompetent is in een vordering, die onafscheidelijk is van haar grondslag (het arrest van 1857 heeft: „eenigen" grondslag, dat van 1875 niet), waar deze laatste niet door den rechter kan worden onderzocht of beoordeeld. Zoo H. R. 18 Dec. 1857 W. 1917, R.spr. 57 § 50, v. d. Hon. G. Z. 14 p. 363, R. B. 1858 p. 1, en H. R. 4 Juni of Juli 1875 W. 3863, R.spr. 110 § 20, v. d. Hon. B. R. 40 p. 361, W. B. A. 1368. In beide gevallen gold het een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad, en achtte de H. R. den grondslag der vordering, n.1. de beweerde onrechtmatigheid der aangevallen bestuursdaad, onttrokken aan de beoordeeling der rechterlijke macht. Dit in 1857, toen het betrof een beweerde onrechtmatige indeeling (niet: inlijving) bij de militie, op grond dat de beoordeeling daarvan geheel is opgedragen aan, en uit haar aard behoort tot de administratieve macht; — in 1875, toen het gold een door den Gouverneur-Generaal aan een rechter verleend ontslag, op grond dat het ontslaan van ambtenaren geheel behoort tot de bevoegdheid van het administratief gezag, bij welk gezag ook zou zijn gebleven naar artt. 94 en 95 (oud) Reg. Regl. van 2 Sept. 1854 Stbl. 129, het oordeel of er toestemming is als in die artt. bedoeld. Behalve wat betreft dit

Sluiten