Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste punt, zie in gelijken geest als het arrest van 1875, mede over ontslag aan een ambtenaar, Rb. Rott. 29 Okt. 1888 W. 5655; vgl. ook Red. in W. 3561 p. 4 kol. 1.

Bij het vermelde arrest van 1875 is bevestigd dat van HoogGer.hof N.-Indië van 17 Juni 1878 W. 3689, dat intusschen niet dezelfde motiveering heeft. Evenmin de overigens in gelijken geest gewezen arresten van het Hof van appèl te Brussel van 1 Juli 1891 W. 6087, Belg. Jud. 49 no. 59, en van Hooggerechtshof 'sGrav. van 17 Maart 1837, vermeld in de Pasicrisie Alph. Ged. I i. v. Adm. en Regt. magt no. 240, dit laatste arrest op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige aanwijzing

tot schutterdienst.

Èn in de beslissing, èn in de motiveering (tweede lid der achtste overweging), is ook H. R. 21 Dec. 1900, genoemd hiervóór sub no. 31, in overeenstemming met de arresten van 1857 en 1875, echter gold het in 1900 een accessoire vordering tot schadevergoeding, en daarop alleen ziet de hier bedoelde overweging van dit arrest. Voor een accessoiren eisch tot schadevergoeding zie nog in gelijken zin als het geciteerde arrest van 1857 : Rb. Gron. 14 Maart 1862 W. 2373, R. B. 1863 p. 806; Rb. Brielle 19 Jan. 1872 W. 8443 (vgl. het bevestigend arrest Hof Z.-Holl. 28 Okt. 1872 W. 3529, G. st. 1108), en Rb. Arnhem 16 Okt. 1851 \V.

1277 G. st. 7. Vgl- ookH. R. 24 Juni 1892 W. 6203, R.spr. 161

§ 32, v. d. Hon. B. R. 58 p. 287, P. v. J. 1892 no. 70, G. st. 2132, W. B. A. 2251, de cassatie verwerpend tegen Hof Amst. 25 Sept. 1891 W. 6113, P.#v. J. 1891 no. 86, G. st. 2102, W. B. A. 2224; zie ook dit arrest van het Hof, waarbij o. a. een eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatigen aanslag in gemeentebelasting niet ter competentie der rechterlijke macht werd geacht, op grond dat art. 15 der wet van 22 Mei 1845 Stbl. 22 de

wettigheid van den aanslag onttrekt aan het rechterlijk onderzoek;

zie voor beide arresten ook hierna sub no. 56.

Nog is hierbij te vergelijken Rb. Rott. 7 Dec. 18*4 P. 1875 Bijbl. 2, R. B. 1875 D. p. 61, overwegend dat, al behoort de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad in

Sluiten