Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eisch, vgl. Alg. Begins. X1Y no. 4 en 5, en op art. 2 li. O. sub D no. 3. Anders echter v. Idsinga, De Adm. Rechtspr. 1 (1893) p. 88 in de noot over het arrest van 1857.

Dat er strijd zou zijn tusschen het arrest van 1857 en een beslissing als die van het arrest van 29 Mei 1874, vermeld sub no. 34, is ook ontkend door Adv.-Gen. Smits in zijn conclusie vóór laatstgenoemd arrest, op dezen grond dat de beslissing over inlijving bij de militie (zie echter no. 44) bepaaldelijk aan de admin. macht is opgedragen, terwijl in 1874 de grondslag der vordering zou zijn het ontnemen der vrije beschikking over den eigendom. Omtrent dit laatste punt vgl. op art. 2 R. O. sub D no. 4. — Overigens golden de sub no. 34—36 genoemde arresten beweerden inbreuk op een burgerlijk recht, die van 1857 en 1875 niet.

■4®. De opvatting der arresten van 1857 en 1875 dat den rechter onttrokken was het oordeel over den toenmaligen grondslag der vorderingen, kan geacht worden hierop te steunen dat de overheidsdaad waarvan onrechtmatigverklaring werd verlangd, hier niet was een die inbreuk maakte op een burgerlijk recht, in welk geval alleen, de rechterlijke macht, krachtens haar competentie in geschillen over burgerlijke rechten, zulk een daad, overigens vallende binnen den formeelen bevoegdheidskring van hem die haar verrichtte, onrechtmatig mag verklaren met het hierin opgesloten bevel aan de administratie zich van zulk een daad te onthouden. "Vgl. Alg. Begins. sub XVI en op art. 2 R. O. sub E § 1. Vgl. ook Wach, Civ. Proz. Recht lp. 109—110, naar aanleiding eener andere kwestie. — Zie Ook Alg. Begins. X no. 2.

Voor de leer van den H. R. dat de rechterlijke macht incompetent is, als haar is onttrokken het oordeel over een grondslag der vordering, van deze onafscheidelijk, kan worden aangevoerd dat, daar zulk een grondslag als integreerend deel dier vordering tot haar onderwerp behoort (vgl. hiervóór no. 45), de rechter dan niet mag vaststellen de rechtsbetrekking tusschen partijen, die onderwerp is van het geschil, en dus zich moet onthouden van het geven van eenige beslissing in de zaak zelf, zoolang over

den bedoelden grondslag niet is beslist door dengeen die daarvoor

Sluiten