Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 Maart 1854 W. 1526 (ook vermeld hiervóór sub no. 31), mede op grond dat het kerkelijk reglement de oplegging der boete en het bedrag daarvan overliet aan het oordeel van het kerkelijk bestuur. — Vgl. hierbij ook de incompetentverklaring door Rb. Utrecht 18 Maart 1896, vermeld hiervóór sub no. 40.

5b. AVaar de wet niet wil dat er redres zij tegen een administratieve daad - - hier de oplegging van boete aan een luitenant der schutterij door zijn majoor ingevolge art. 68 der Schutterijwet van 11 April 1827 Stbl. 17 — werd in een vordering, tegen die daad reageerend (hier een terugvordering der betaalde boete), incompetentie der rechterlijke macht aangenomen door Rb. Amst. 28 Juli 1845 AV. 644.

§ 10.

53. Een gelijk standpunt ais in de sub no. 44. geciteerde beslissingen betreffend de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, is, hoewel het vonnis minder korrekt is geformuleerd, voor de condictio indebiti ingenomen door Ktg. Breda 14 April 1858 AV. 1983, G. st. 361, in de overweging dat de beslissing over zulk een vordering noodzakelijk meebrengt die over haar rechtsgrond, de verschuldigheid van het betaalde. Op grond dat hieromtrent de rechterlijke macht in het gegeven geval niet zou hebben mogen oordeelen, werd zij incompetent geacht in de terugvordering. Vgl. hierbij ook H. R. 27 Febr. 1846, vermeld op art. 2 R. O. sub 1) no. 21, bij welk arrest het indebitum werd geacht onderwerp te zijn der terugvordering. Zie ook no. 55—57 hierna.

54. Ktg. Gron. 1 Dec. 1873 W. 3703 oordeelde de rechterlijke macht incompetent in een condictio van boete, opgelegd door het bestuur eener societeit aan een der leden, op overweging dat volgens het reglement het bestuur in hoogste ressort over de boete besliste, zoodat het lid moest berusten, en de rechter de beslissing van het bestuur niet had te onderzoeken. Zie dit vonnis nader op art. 1 R. O. sub G no 14 jo. no. 5. Gesteld dat

Sluiten