Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds volgt uit art. 2 R. O. (schuldvordering), voor welke laatste meening kan aangevoerd dat zoowel het verzet als de terugvordering — gesteld art. 15 der wet van 1845 is ook op haar toepasselijk — zijn gericht op ontkenning der verplichting tot betaling, de condictio buitendien mede op erkenning van eischers recht op terugbetaling.

Incompetentie in bedoelde vorderingen wordt intusschen ook aanwezig geacht op andere motieven. Ten deele kunnen deze, indien ze al op zich zelf juist zijn, klaarblijkelijk slechts leiden tot niet-ontvankelijkheid. Zoo het motief der Red. in W. 5454 p. 4 (zie ook R. Adv. 8 p. 7—8) voor incompetentie in de condictio indebiti, ontleend aan vermeende niet-toepasselijkheid van art. 1-395 B. W., vgl. ook hierna sub no. 68. Zoo, naar het schijnt, ook de motiveering van het hiervóór sub no. 53 en en 39 (vgl. ook Hof Leeuw. 1891 aldaar) geciteerde vonnis Ktg. Breda van 14 April 1858 ten opzichte derzelfde vordering, voorzoover steunend op betwisting der wettigheid eener gemeenteverordening, hiermee dat den rechter dit toetsingsrecht niet zou toekomen — en, voorzoover steunend op het niet uitgetrokken zijn der belasting op de gemeentebegrooting, hiermede dat over deze Ged. Staten oordeelen. De Kantonrechter verwierp hier uitdrukkelijk eischers bewering dat, daar de beslissing over de wettigheid der verordening geen onderwerp is van 's rechters uitspraak, doch slechts een middel om tot die uitspraak te geraken, incompetentverklaring op den in het vonnis hiertoe aangevoerden grond niet opging. Juist hierin echter lag op dit punt het verschil in casuspositie met het arr. H. R. van 18 Dec. 1857, vermeld hiervóór sub no. 44, welks motiveering blijkbaar door den Kantonrechter is gevolgd. Bij het voorafgaande vgl. Alg. Begins. XIV no. 4 en XIII no. 33 jo. no. 15.

Een andere grond voor incompetentie in de hier bedoelde geschillen, vaak uitdrukkelijk aangevoerd of implicite aangenomen in de jurisprudentie vermeld hierna sub no. 56—59, is dat aan de rechterlijke macht is onttrokken het oordeel over bezwaren tegen den aanslag, omdat n.1. een ander gezag is aangewezen

Sluiten