Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanslag reeds in art. 15 zelf der wet van 1845 opgesloten werd geacht. Zie het bij dit arrest bevestigde vonnis Rb. Rott. van 28 Maart 1892 W. 6189, P. v. J. 1892 no. 66, G. st. 2128, W. B. A. 2250. In gelijken zin H. R. 24 Juni 1892 mèt het arrest a quo Hof Amst. 25 Sept. 1891, beide vermeld hiervóór sub no. 44. — Eveneens in denzelfden geest, met beroep mede op art. 265 Gem.wet: Rb. Amst. 9 Maart 1893 W. 6347, G. st. 2181, W. B. A. 2300, en 15 Jan. 1895 W. 6645, P. v. J.-1895 no. 17, G. st. 2280, IV. B. A. 2400, bevestigd door Hof Amst. 10 April 1896 W. 6821 p. 2, G. st. 2342, met welke beslissingen instemt G. st. 2674 p. 1; ook Rb. Amst. 13 Sept. 1895 W. 6785, en 22 Dec. 1891 P. v. J. 1892 no. 22 (inzóóver contra O. M., zie no. 57 hierna). — Mede in gelijken zin Rb. 's Grav. 29 Maart 1889 W. 5738, G. st. 1979, W. B. A. 2102, terwijl het daarbij bevestigde vonnis van Ktg. Leiden 18 Jan. 1888 W. 5615, G. st. 1935, W. B. A. 2057, uit art. 265 Gem.wet bij competentie deirechterlijke macht, niet-ontvankelijkheid der vordering afleidde. (Evenals dit laatste vonnis voor het verzet tegen een dwangbevel: Rb. Rott. 25 Nov. 1857, zie hierna sub no. 59.) — Voor incompetentie der rechterlijke macht in de terugvordering nog Rb. Middelb. 7 April (niet 3 Maart) 1858, opgenomen in W. B. A. 473 en in Bijdr. St.best. I p. 397 vlg. (Dit vonnis is vernietigd door Hof Z.-Holl. 7 Maart 1859 W. 2060, zie nader op art. 2 R. O.). — Een andere opvatting omtrent de strekking van art. 265 Gem.wet huldigde Rb. Winschoten 18 Dec. 1889 W. 5803, G. st. 1997, W. B. A. 2128, zie dit vonnis op art. 1 R. O. sub E no. 3.

5 9.6. Niet-ontvankelijkheid der hier bedoelde condictio indebiti namen aan, behalve Ktg. Leiden 18 Jan 1888, vernield sub no. 56: Rb. Amst. 16 Juli 1878 W. 4328, P. v. J. 1878 Bijbl. no. 39a, R. B. 1881 A. p. 211, G. st. 1431, W. B. A. 1553, en implicite Rb. Amst. 31 Juli 1877 W. 4234, P. v. J. 1877 no. 39, R. B. 1877 D. p. 85, G. st. 1390, W. B. A. 1511, gelijk ook het O. M. vóór het sub no. 56 vermelde vonnis Rb. Amst. 22 Dec. 1891. — Ygl. hierbij de hierna sub no. 79 vermelde vonnissen van Rb.

Léon: lUchtspraak, 3e Druk. Deel II, all. 1. 5

(Mr. L. van Praag, R(cht. Org.)

Sluiten