Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Utrecht 3 of 10 Febr. 1864 en Rb. 's Hertog. 15 Maart 1901.

58. C. a. Bij verzet tegen een dwangbevel krachtens de wet van 1845 Stbl. 22, is in de gevallen van art. 15 lid 2 dier wet, incompetentie der rechterlijke macht aangenomen door H. R. 20 Maart 1903 W. 7902, R.spr. 193 § 48, P. v. J. no. 304, G. st. 2700, op dit punt cf. O. M., zie het arrest op het eerste cassatiemiddel. Zoo ook het arrest a quo Hof 's Hertog. 1 April 1902 W. 7753, W. B. A. 2774, en het vonnis in eersten aanleg, Rb. 's Hertog. 15 Maart 1901 W. 7735, G. st. 2642. Overigens besliste de H. R. bij genoemd arrest contra O. M., en casseerend het geciteerde arrest van Hof 's Hertog., dat geen incompetentie kan aangenomen op gronden, die eerst ter sprake mogen komen bij kennisneming van het verzet, — Insgelijks voor incompetentie bij bedoeld verzet: H. R. 31 Dec. 1891 W. 6128, R.spr. 159 §51, v. d. Hon. Bel. 13 p. 176, P. v. J. 1892 no. 8, G. st, 2108, W. B. A. 2225, met beroep op art. 265 Gem.wet, — en H. R. 9 Mei 1890 W. 5873, R.spr. 155 § 7, v. d. Hon. B. R. 56 p. 176, P. v. J. 1890 no. 66, G. st. 2022, W. B. A. 2140. Bij deze twee arresten werd de cassatie verworpen, respektievelijk tegen Hof Amst. 7 Nov. 1890 W. 5946, P. v. J. 1891 no. 4, G. st. 2047, W. B. A. 2168, en tegen Hof Amst. 6 Dec. 1889 W. 5827, P. v. J. 1890 no. 20, G. st. 2010, W. B. A. 2125, bij welke arresten (zich mede beroepend op art. 265 Gem.wet) werden bevestigd de in gelijken zin gewezen vonnissen der Rb. te Amst. van 18 Dec. 1888, P. v. J. 1889 no. 12 jo. 1888 no. 149 (concl. O. M. ook in W. 5641), en van 6 Nov. 1888 W. 5641 (concl. O. M. in W. 5630), P. v. J. 1888 no. 146 en 149, G. st. 1945, W. B. A. 2063, dit laatste vonnis contra O. M., dat in zijn conclusie den rechter competent, doch het verzet niet-ontvankelijk oordeelde. — Evenals gemelde vonnissen ook Rb. Amst. 22 April 1904 AV. 8162; Rb. Roermond s. d. (1901 of 1902) W. 7840; Rb. Utrecht 30 Juni 1869 R. B. 1871 p. 110; Rb. Winschoten 2 Maart 1859 W. 2285, G. st. 511, W. B. A. 646.

b. Niet-ontvankelijkheid in het hier bedoelde verzet namen aan Rb. Amst. bij vonnissen van 20 Okt. 1875 W. 4018, R. B.

Sluiten