Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1876 D p. 29, G. st. 1304, W. B. A. 1425, van 27 Okt. 1847 W. 910, R. B. 1848 p. 20, en van 18 Mei 1847 W. 884, R. B. 1847 p. 556 (speciaal op dit punt gemotiveerd). Zoo ook Rb. Dordt 29 Jan. 1849 W. 997. Verder Rb. Rott. 25 Nov. 1857 W. 1929 (vgl. W. 1992, 1994, 2022), G. st. 324; zie omtrent dit vonnis hiervóór sub no. 56 bij het daar vermelde van Ktg. Leiden 18 Jan. 1888. Genoemd vonnis der Rb. Rott. van 1857 is gecasseerd door H. R. 22 Okt. 1858 W. 2004 (jo. W. 2022), R.spr. 60 § 15, v. d. Hon. G. Z. 15 p. 231, G. st. 383, W. B. A. 491, in de voorlaatste overweging van welk arrest de opvatting doorstiaalt dat, zoo de H. R. art. 265 Gem.wet toepasselijk had geacht, de rechterlijke macht incompetent zou zijn geweest. Dit arrest van 1858, waarover zie nog hierna sub no. 68, is bestreden door S. in W. 2022 p. 3_4. — Voor niet-ontvankelijkheid ten deze nog Rb. Deventer 3 Febr. 1864 AV. 2613, R. B. 1865 p. 99, G. st. 653; het O. M. vóór Rb. Amst. 6 Nov. 1888, vermeld hiervóór sub no. 58; Opm. en Med. 13 p. 303—304, en Hazelhoff, De Competentie der Justitie, p. 53—54.

§ 12.

«O. a. De rechterlijke macht is incompetent in een verzet tegen een dwangbevel der registratie tegen een gewezen burgemeestei uitgevaardigd tot betaling eener schuld als slot van rekening, vastgesteld door de Alg. Rekenkamer; daar, hoewel dit verzet in het algemeen — krachtens art. 16 i. f. wet 16 Juni 1832 Stbl. 29 en art. 64 lid 2 wet 22 Frimaire an VII — staat ter competentie va'rv. den rechter, de grondslag er van in dit geval is een verweer, waaromtrent de rechterlijke macht onbevoegd is in een ondeizoek te treden, n.1. een bestrijding der vaststelling door de Rekenkamer (krachtens art. 53 der wet van 5 Okt. 1841 Stbl. 40 geschied), terwijl art. 60 dier wet van 1841 de uitsluitende bevoegdheid der Rekenkamer vestigt voor reklames tegen de door haar eens gegeven vaststelling. — Zoo Rb. Rott. 4 Mei 1885 W. 5186, P. v. J. 1885 Bijbl. no. 34, G. st. 1771, W. B. A. 1900. — Vgl.

Sluiten