Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 14.

63. a. Is de aard der vordering van invloed op de competentie, dan kan, waar wegens dezen aard competentie der rechterlijke macht is aangenomen, niet op dienzelfden grond de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. In dien zin de dertiende m verband met de twaalfde overweging van Hof Arnhem 28 Dec. 1898 W. 7266, W. B. A. 2607, W. v. N. R. 1534, waarbij met er op schijnt te zijn gelet dat, terwijl het stellen van een naar 's rechters oordeel privaatrechtelijken rechtsband de rechteilijke macht competent maakt, het in concreto niet bestaan daaivan, grond kan zijn tot niet-ontvankelijkheid. Ygl. hierbij ook het vonnis a quo, Rb. Arnhem 7 April 1898 W. 7164, G. st. 2461. — Zie verder Hof Arnhem 20 Dec. 1899 W. 7423, G. st. 2539, W. B. A. 2656, bij welk arrest, vernietigend Rb. Arnhem 8 Nov. 1898 W. 7216, W. B. A. 2588, de aanhangige vordering privaatrechtelijk, en dus ter competentie der rechterlijke macht werd geoordeeld, omdat, ware zij publiekrechtelijk, het vorderingsrecht — alsdan beheerscht door art. 3 van de Algemeene Beginselen deiStaatsregeling van 1798 — vervallen zou zijn, terwijl toch partijen het er over eens waren dat dit recht nog bestond. Dit arrest van 1899 onderzocht dus niet eerst den aard der ingestelde vordering met het oog op de competentie, om dan, was deze aangenomen, na te gaan of het gestelde recht bestond, doch concludeerde uit het nog bestaan van het recht, tot den aard der vordering en de competentie. — Een gelijke methode volgde Rb. Leeuw. 6 Sept. 1870, vermeld sub R. v. St. 11 p. 111—112, en .gegispt door A. W. C. de Jonge in Bijdr. St.-Best. 17 p. 336.

«4. b. Het stellen en het bestaan eener rechtsbetrekking schijnt evenmin voldoende te zijn uiteengehouden door H. R. 24 Juni 1904 W. 8091, R.spr. 197 § 36, P. v. J. no. 373, G. st. 2763, W. B. A. 2885, inzóóver daarbij een exceptie van nietontvankelijkheid, gegrond op het niet toepasselijk zijn van ait. 1401 B. W., werd beschouwd als identiek met een exceptie van incompetentie. — Op gelijke wijze leidt het slot der achtste

Sluiten