Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overweging van het hiervóór sub no. 31 vermelde arr. H. R. 21 Dec. 1900, uit het niet toepasselijk zijn van art. 1401 B. W., incompetentie af. Ygl. no. 67 hierna. Zoo ook Tribunal civil de la Seine 17 Nov. 1905 W. 8313 p. 4 kol. 2. — In tal van andere beslissingen is echter door den H. R. op bedoelden grond wèl aangenomen dat de vordering niet kon worden toegewezen, doch niet dat de rechterlijke macht incompetent zou zijn. Zie b.v. de arresten van 4- April 1884, 13 Jan. 1893, enz., reeds vermeld hiervóór sub no. 50. Ygl. ook het slot van het vonnis Rb. Maastr. 7 Juni 1866 W. 2841, G. st. 789. — Zie hierbij nog het slot van het op art. 1382 C. C. gewezen arrest R. G. 10 Juni 1881, E. C. S. 5 p. 48—50, en Hof v. Cass. in België 8 Nov. 1894 met de beslissingen a quo, vermeld hiervóór sub no. 50.

Bij het voorafgaande vgl. ook het volgende arrest, gewezen naar aanleiding van art. 38 R. O.: De aard eener vordering moet beoordeeld naar het recht in geschil, zooals dit door eischer wordt gesteld te bestaan, niet zooals het inderdaad bestaat. Het komt niet aan op den aard der aan eischer toekomende, maar op dien der door hem ingestelde vordering. Wel kan eischer niet den aard der hem toekomende vordering door de inrichting zijner dagvaarding veranderen, maar verkeerde inrichting dier dagvaarding kan alleen ten gevolge hebben dat de eisch nietontvankelijk verklaard of ontzegd wordt, niet dat de competentie moet beoordeeld naar het inderdaad bestaande in plaats van naar het door eischer gestelde recht. — Zoo H. R. 29 Jan. 1875 W. 3815, R.spr. 109 § 10, v. d. Hon. B. R. 40 p. 46. — Ygl. ook op art. 2 R. O. sub C § 1.

O», c. Identiflceering van het niet stellen en het niet bestaan eener rechtsbetrekking schijnt ook vervat in de redeneering vim v. Idsinga, De Adm. Rechtspraak I (1893) p. 21, en van denzelfde, Het Verslag der Staats-Commissie, enz. (1899) p. 10—11, waar buitendien niet wordt onderscheiden tusschen het gesteld zijn van een recht naar het oordeel van den rechter, en de bewering van partij dat zij zulk een recht stelt.

t»«. cl. Rb. Dordt-15 Mei 1901 W. 7627 verklaarde niet-ontvanke-

Sluiten