Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk een vordering, steunend op een rechtsverhouding, door eischer als privaatrechtelijk, doch door de Rechtbank als publiekrechtelijk aangemerkt, welke vordering desniettemin door de Rb. als een civiele werd beschouwd; dit vonnis is gewezen contra O. M., concludeerend tot incompetentie. — Zoo had ook Rb. Brielle 31 Okt. 1862 AV. 2431 (j°. W. 2418) een vordering tot handhaving in een recht van veer, welk recht de Rechtbank als publiekrechtelijk kwalificeerde, toch genoemd een civiele aktie, en ze als zoodanig niet-ontvankelijk verklaard.

©ï. e. Uit onderstelde toepasselijkheid van art. 1401 B. W. besloot tot mogelijke competentie der rechterlijke macht het arr. H. R. 21 April 1898 AV. 7116, R.spr. 178 § 71, v. d. Hon. B. R. 64 p. 195, P. v. J. 1898 no. 38, G. st. 2436, AV. B. A. 2559, AV v N. R. 1501; vgl. ook H. R. 18 April 1902 W. 7756, R.spr. 190 § 58, P. v. J. no. 148, AV. B. A. 2770. Hierover, alsmede over de hiervóór sub no. 64 geciteerde motiveering van het arr. H. R. van 21 Dec. 1900, L. v. Praag in W. B. A. 2825; waarbij echter worde opgemerkt dat de H. R. in de bedoelde overwegingen der arresten van 1898 en 1902 eigenlijk niet meer zegt dan dat, waar een civiele rechtsband moet worden aangenomen, de rechterlijke macht competent is, hetgeen de onderscheiding tusschen incompetentie en niet-ontvankelijkheid niet miskent.

«8. f. Gelijk in het sub no. 64 jo. 31 vermelde arrest van 21 Dec. 1900 uit het niet-toepasselijk zijn van art. 1401, zoo werd uit het niet-toepasselijk zijn van art. 1395 B. AV. eveneens incompetentie der rechterlijke macht afgeleid, o. a. in A\ • 5454 p. 4, vgl. hiervóór sub no. 55. — Zie daarentegen als voorbeeld van strenge uiteenhouding van niet-ontvankelijkheid en incompetentie in de terugvordering van hetgeen betaald werd, als publiekrechtelijk onverschuldigd, het proces voor Rb. Roermond 18 Okt. 1900 AV. 7517, G. st. 2576, AV. B. A. 2688. — In zulk een vordering werd na vaststelling der competentie, hieruit de ontvankelijkheid naar art. 1395 B. AV. afgeleid door Ktg. Berlicum 4 Febr. 1871 AV. 3384, G. st. 1050, tegen welke gevolgtrekking wordt opgekomen in G. st. 1051. Insgelijks werd uit de compe-

Sluiten