Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trent overwoog Rb. Assen 11 Dec. 1876 W. 4237, R. B. 1880 A p. 89, met vernietiging van Ktg. Assen 18 Mei 1876 W. 4233, R. B. 1.1. p. 87, — dat art. 41 R. O. slechts de competentie regelt en geen enkel element bevat ter beoordeeling dei ontvankelijkheid of gegrondheid der vordering.

9 1. i. In de controverse over de toelaatbaarheid naar Nederlandsch recht van een z.g. sententia declaratoria (vgl. Alg. Begins. I sub no. 7), berust het argumenteeren door sommigen pro of contra uit art. 2 R. O. (art. 153 Grw.) — zie op art. 2 R. O. sub C §2 — op verwarring tusschen de competentie der rechterlijke macht en de ontvankelijkheid eener vordering strekkende tot het verkrijgen van een declaratoir vonnis.

§ 15.

SJ8. Evenmin als uit niet-ontvankelijkheid eener vordering incompetentie van den rechter volgt, evenmin mag daaruit afgeleid niet-appellabiliteit der beslissing op de vordering gegeven. Zie H. R. 1 Febr. 1856 W. 1719, R.spr. 52 § 23, v. d. Hon. G. Z. 13 p. 193; concl. O. M. vóór H. R. 23 Mei 1902 W. 7773, R.spr. 191 § 13, P. v. J. no. 176; Hof N.-Holl. 26 Juni 1856 W. 1764, R.spr. 54 § 63, R. B. 1857 p. 257, bij welk laatste arrest vgl. Alg. Begins. VIII sub no. 12. — Zie de hier sub no. 72 geciteerde beslissingen nader op, respektievelijk vóór, artt. 38 en 54 R. O.

§ 16.

5;{ Naar aanleiding van art. 2 lid 2 der Faillissementswet van 30 Sept. 1893 Stbl. 140, zie H. R. 18 Febr. 1904 W. 8037, R.spr. 196 § 42, en speciaal de conclusie O. M. vóór dit arrest, over de vraag in hoever omstandigheden, vereischt voor de ontvankelijkheid van een request tot faillietverklaring, naar dit artikel ook de competentie bepalen.

Sluiten