Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 17.

9 4. Een uitgesproken of voorgestelde niet-ontvarikelijkheid wordt soms behandeld als incompetentie, en ook het omgekeerde komt voor. Beide, waar de bedoeling van vonnis of conclusie van partij dit blijkbaar meebrengt, of wel als wordt aangenomen dat de betrokken wetsbepaling toepasselijk is, naarmate hetgeen moest zijn beslist, en niet naarmate betgeen beslist is. Zie de hier volgende nummers 75—79.

9 5. a. Zoo werd een niet-ontvankelijkverklaring, steunend op dezelfde gronden, waarop in dezelfde zaak bij sedert vernietigd vonnis de rechter zich eerst incompetent had verklaard, — voor de toepasselijkheid van art. 333 Rv. beschouwd als een bedekte incompetentverklaring, door H. R. 4 of 5 April 1856 W. 1776, R.spr. 52 § 63, v. d. Hon. B. R. 20 p. 285, cf. Adv.-Gen. Gregory, die verwees naar de jurisprudentie in strafzaken omtrent bedekte vrijspraak, respektievelijk ontslag van rechtsvervolging. Hierbij lette men echter op de redaktie van artt. 347 en 348 Sv., waarin laatstbedoelde jurisprudentie haar grond heeft.

9©. b. Omgekeerd werd door H. R. 2 Maart 1866 W. 2776, R.spr. 82 § 27, v. d. Hon. B. R. 30 p. 218 (waarbij vgl. H. R. 4 Maart 1904 hiervóór sub no. 15), voor de toepasselijkheid van art. 358 Rv., een incompetentverklaring, hierop gegrond dat de zaak reeds bij gewijsde was beslist, beschouwd als inderdaad te zijn een niet-ontvankelijkverklaring, welke had moeten zijn uitgesproken.

9 9. c. H. R. 22 April 1895 W. 6656 p. 1—2, R.spr. 169 § 47, v. d. Hon. Sr. 1895 p. 124, P. v. J. 1895 no. 44, overwoog (contra O. M.) dat de beslissingen over onbevoegdheid, waarvan art. 354 lid 2 Sv. spreekt, zijn die over competentie, en niet die rechtens moeten aangemerkt als een niet-ontvankelijkverklaring.

Omgekeerd beschouwde, mede naar aanleiding van dit art. (388 lid 2 oud Sv.), H. R. 8 Maart 1869, vermeld hiervóór sub no. 2, een uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring als inder daad te zijn een beslissing over onbevoegdheid.

Sluiten