Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar ze zijn weggelaten, doch, wil men althans concurreerende competentie hier vermijden, juist wenschelijk zijn Avegens art. 2b naar dit Ontwerp. Immers is het volstrekt niet zeker dat de jurisprudentie „burgerregtelijke regtsvorderingen" niet in ruimer zin zal opvatten dan de Regeering, die het Ontwerp indiende (vgl. nader op art. 2 R. O. sub E § 1), en in dat geval zal, wordt ook de term „beroepen" in art. 2b ruim opgevat, concurreerende competentie niet zijn uitgesloten, zij het slechts tusschen verschillende afdeelingen derzelfde rechterlijke macht. Zie ook Red. in W. 8308 p. 1 kol. 3. —

(Als voorbeeld van concurreerende competentie op een ander gebied vgl. de regeling van art. 1 j°. art. 8 sub 3o, 7° en 9° der Woningwet van 22 Juni 1901 Stbl. 158.) —

Is concurreerende competentie bestaanbaar, dan volgt hieruit dat men uit de aanwijzing van een rechter voor de kennisneming van een geschil slechts dan mag besluiten tot incompetentie van elk ander, als en voorzoover mag worden aangenomen dat die aanwijzing geschiedde bij uitsluiting van anderen. Echter zal dit laatste toch, met het oog op de redenen die voor eene speciale competentie-aanwijzing telkens gelden, m. i. in den regel als de bedoeling der wet moeten worden aangenomen, waar n.1. geen bizondere gronden tot een andere opvatting leiden (vgl. Alg. Begins. XI sub no. 43 en 56 i. f.). Met het zooeven aangeduide voorbehoud derogeert ook in deze materie een speciale wetsbepaling aan de algemeene. "Vgl. § 10 deiMem. v. Toel. op het Ontw. 1905 Wb. v. Adm. Rv. — Zie ook ten opzichte van art. 265 Gem.wet, Rb. Rott. 25 Nov. 1857, en in cassatie H. R. 22 Okt. 1858, beide vermeld sub Alg. Begins, IX no. 59; alsmede Rb. Amst. 22 Dec. 1891, P. v. J. 1892 no. 22. Vgl. hierbij Hazelhoff, De Competentie der Justitie, p. 57 v. b. jo. p. 56 v. o., wiens redeneering hierop neerkomt dat de competente rechter heeft te eerbiedigen het gezag van gewijsde deibeslissing van een eveneens competenten rechter (vgl. Alg. Begins. XV), en dat daarom concurreerende competentie onmogelijk is. Deze gevolgtrekking gaat echter niet op: ook bij

Sluiten