Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

concurreerende competentie kan elk rechter gebonden zijn aan het gewijsde van den ander. Juist hierom behoeft het gevaar

voor tegenstrijdige uitspraken niet zoo groot te zijn als het schijnt.

Bij het voorafgaande vgl. ook Buus in Hand. Jur. Vereenig.

1891 I p. 112. _ . .

Vgl. nog het Kon. Besl. van 4 Sept. 1824 Stbl. 46 m verband

met de tweede overweging van den considerans van het — bij

Kon. Besl. van 20 Mei 1844 Stbl. 25 ingetrokken - Kon. Besl.

van 5 Okt. 1822 Stbl. 44. Voor de bij het Kon. Besl. van 1824

aangehaalde wet van 1819 trad in de plaats die van 2B Aug

1822 Stbl. 88 (artt. 258 vlgg.), zie nu de wet van 20 April 1 • o

Stbl 54.

Voorzoover aan praejudicieele beslissingen gezag van gewijsde moet worden toegekend, is er, waar het praejudicieele geschilpunt, als zelfstandige vordering aangebracht, bij een ander rechter zou behooren, voor dit geschilpunt, — als ook hij voor wien het praejudicieel is, er zelfstandig over mag oordeelen, - materieel concurreerende competentie, daar dan verschillende rechters hieromtrent een beslissing met gezag van gewijsde kunnen geven.

Vgl. no. 2 hierna. .

8. Een andere vraag is die, in hoever een rech ei m een

zaak te zijner competentie, zelfstandig mag beslissen (onderzoeken) daarin zich voordoende praejudicieele geschilpunten, die als onderwerp van een afzonderlijk geschil niet te zijner competentie zouden staan. Vgl. Alg. Begins. XIV no. 4 en XV Het verband van deze vraag met die, hiervóór sub no. 1 behandeld, hangt af van den omvang toe te kennen aan het gezag van gewijsde voor praejudicieele beslissingen; vgl. sub no. 1 a. h. e Zie ook Alg. Begins. XIV no. 7-9 en op art. 2 R. O. sub C § 3.

Het antwoord dat men op de hier aangeduide vraag gee t, beslist mede over die, inhoever zekere van een vordering onafscheidelijke grondslag kan zijn onttrokken aan het oordeel van den rechter, die voor de vordering zelf in het algemeen competen is. Vgl. Alg. Begins. IX no. 44—47 en 55.

Sluiten