Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te erkennen, en dienvolgens aan eischer zekere som uit te betalen.

Ygl. hierna sub no. 36 en 54 voor de vraag in hoever in zulke gevallen artt. 97 lid 2 en 127 lid 7 Rv. toepasselijk zijn, dan wel het adagium: accessio sequitur principale. Mede aldaar voor diezelfde vraag ten opzichte van' een eisch tegen een hoofddebiteur, vereenigd met dien tegen een borg. Hieromtrent besliste Rb. Deventer 23 Mei 1838 (vgl. N. Bijdr. 1855 p. 101) dat de vordering tegen den borg niet is een accessoir van die tegen den hoofdschuldenaar.

Men houde uiteen de schuldvordering en de rechtsvordering in formeelen zin, op welke laatste het hier in de eerste plaats aankomt, Al staat het accessoir karakter deischuldvordering vast, daarom behoeft m. i. nog niet hetzelfde te worden aangenomen voor de rechtsvordering. Is het wel juist gedacht een rechtsvordering tegen een bepaalden gedaagde als een accessoir te beschouwen van een anderen eisch, niet tegen hèm ingesteld, doch tegen een derde? — Zoo neen, dan moet ook de vraag of een vordering in vrijwaring een accessoir is van den oorspronkelijken eisch (zie no. 6 hierna), ontkennend worden beantwoord. — Ygl. de noot 48 bij Wach, hiervóór sub no. 1 geciteerd, in wiens definitie van de accessoire vordering is opgenomen: „von derselben Partei gegen denselben Gegner".

€». F. Een eisch in vrijwaring werd als een accessoir der oorspronkelijke vordering aangemerkt door H. R. 22 Febr. 1850 W. 1141, R.spr. 35 § 8, v. d. Hon. B. R. 11 p. 280, en door H. R. 2 Jan. 1885 W. 5124, R.spr. 139 § 2, v. d. Hon. B. R. 50 p. 255. Zoo ook de Pintq, B. R. V. 2e ed. II, 1 p. 103. — Anders echter H. R. 28 April 1899 W. 7273, R.spr. 181 §66, v. d. H«n. B. R. 65 p. 202, P. v. J. 1899 no. 38, casseerend Hof 's Grav. 12 Dec. 1898 W. 7224, P. v. J. 1899 no. 21, welk laatste arrest was gewezen in den geest der vroegere van den H. R., zooeven geciteerd. Voor al deze beslissingen zie nader Alg. Begins. XIII sub no. 31. — Ygl. hierbij het hiervóór sub no. 5 gezegde. — Ygl. ook P. de Paepe, Études sur la Compétence civile I (1890) p. 165—167 j°. II (1892) p. 34. Zie verder hierna sub no. 51.

Sluiten