Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk recht. Spruit reeds uit dit recht zelf dat op schadevergoeding voort (vgl. b.v. art. 615 B. W.), dan is die accessoire vordering tot schadevergoeding ook zelf zakelijk.

Zoo, voor bezit, H. R. 4 April 1902 W. 7750, R.spr. 190 §52, P. v. J. no. 152; vgl. ook het arrest a quo, Hof Amst. 1 Febr. 1901 W. 7630, zie beide beslissingen ook hieronder sub no. 51 en op art. 54 no. 4 R. O. — In gelijken zin H. R. 26 Nov. 1847 W. 875, R.spr. 29 § 30, v. d. Hon. B. R. 9 p. 148 (ook te vermelden op art. 54 no. 4 R. O.), en de Pinto R. O. 2e ed., II p. 160. Vgl. ook het arrest van 1887 hiervóór sub no. 12 vermeld. Zie verder Hof N.-Holl. 27 Nov. 1851 W. 1311 en het mede op art. 54 no. 4 R. O. te vermelden arrest H. R. 10 Jan. 1868 W. 2972, R.spr. 88 § 4, v. d. Hon. B. R. 32 p. 122 met het vonnis a quo Rb. Middelb. 24 Maart of April 1867, R. B. 1869 p. 63. Ygl. ook Rb. Amst. 19 April 1876, P. v. J. 1876 Bijbl. 23, R. B. 1879 A p. 94, nader te vermelden op art. 2 R. O.

Eveneens voor een eigendomsvordering met byjgevoegden eisch tot schadevergoeding: Hof 'sHertog. 29 Nov. 1904 W. 8157, bevestigend Rb. Breda 16 Juni 1903 W. 7989, waarbij vgl. Rb. Breda 8 Jan. 1901 W. 7560, een andere opvatting huldigend voor het geval dat schadevergoeding wordt geëischt wegens inbreuk op vroeger bestaan hebbend eigendomsrecht, naast rechtsverklaring enkel voor nu bestaanden eigendom (vgl. ook Alg. Begins. VIII sub no. 11). — Ook de bij een actio negatoria gevoegde eisch tot schadevergoeding werd als accessoir en zakelijk aangemerkt door Rb. 's Grav. 10 Mei 1901 W. 7609, en in appèl door Hof 'sGrav. 24 Maart 1902 W. 7740.

In gelijken zin bij tiendrecht H. R. 1 Nov. 1901 W. 7671, R.spr. 189 § 17, v. d. Hon. B. R. 67 p. 504, P. v. J. 1901 no. 98, en implicite het arrest a quo: Hof's Grav. 12 Juni 1900 W. 7476, P. v. J. 1900 no. 68. Ook Hof 'sGrav. 2 Mei 1904 W. 8119, en Rb. Utrecht 10 Sept. 1879 W. 4510, R. B. 1881 A p. 55.

Zie ook Hof Arnhem 2 Juni 1897 W. 7083, in het gegeven geval den eisch tot schadevergoeding aanmerkend als een sequeel der hoofdvordering tot erkenning van lieerlyjk jachtrecld.

Sluiten