Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In anderen geest dan de hier voorafgaande jurisprudentie wat betreft den aard der vordering tot schadevergoeding, hier als persoonlijk aangemerkt, gevoegd bij een volgens dit arrest zakelijke hoofdvordering: Hof Overijssel 28 April 1873, Pasicrisie, le Vervolg, i. v. Appèl in burg. zaken, no. 417, en Rb. 's Hertog. 20 Jan. 1847 W. 840. De toen ingestelde hoofdvordering tot eigendomsverklaring werd in appèl als nutteloos geëkarteerd dooi Hof N.-Brab. 21 Sept. 1847 W. 852, waartegen de cassatie is verworpen door H. R. 3 Maart 1848 W. 895, enz., zie Alg.

Begins. IX sub no. 18.

Ygl. hierbij op art. 2 R. O. sub D no. 4 over de principale vordering tot schadevergoeding als middel tot bescherming van eigendomsrecht,

14. J. De vordering tot schadevergoeding der beleedigde partij wordt vooral door Fransche schrijvers en jurisprudentie, doch ook wel bij ons (vgl. hierna no. 88 sub i) beschouwd als een accessoir van de strafzaak, waarin zij moet worden berecht. Vgl. b.v. Lacoste, De la chose jugée, 2e éd. 1904 no. 1087 (p. 370—371) jis. nos. 1582—1585 (p. 552—553). Vgl. ook J. B. Hoffman, Traité des questions préjudicielles I (1865) nos. 77 en 78

(p, 104—107) voor de oudere Fransche en Belgische jurisprudentie. Daar wordt het accessoir karakter der bedoelde vordering aangenomen, en hieruit de gevolgtrekking afgeleid. zonder straf geen schadevergoeding. Dit laatste is ook de leer van onze jurisprudentie, die meestal aanneemt dat bij ontslag \an ïechtsvervolging de vordering der beleedigde partij niet kan worden toegewezen. Zoo de H. R. geciteerd bij Léon—Teixeira no. 7 op art. 231 oud Sv. De daar aangehaalde arresten zijn echter gemotiveerd met een interpretatie van den term „beleedigde partij" in gemeld artikel en in de artt. 44 en 56 laatste lid R. O., waaromtrent zie nader op deze artt. der wet R, O. Voor de nieuwere jurisprudentie en litteratuur vgl. Simons, Handl. Wetb. v. Sv. 3e ed. (1901) p. 176 met nt, 3, en T. v. S., Overzicht rechtspraak XIII no. 17 op artt. 202 vlgg. en XV no. 2 op art. 208 Sv. — De opvatting der Fransche leer, dat de vordering

Sluiten