Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolgen die het accessoir karakter eener vordering heeft voor de competentie en appellabiliteit (waaromtrent zie het volgend gedeelte van dit hoofdstuk XI), een vordering slechts dan als accessoir eener andere aan te merken als zij voldoet aan de volgende voorwaarden. Om accessoir te zijn moet een eisch met de hoofdvordering in hetzelfde proces zijn ingesteld door denzelfden eischer tegen denzelfden gedaagde, of wel door den laatste tegen den eischer, doch dan als ontstaan ten gevolge van diens eisch (vgl. no. 19); verder moet de accessoire vordering tot onderwerp hebben een rechtsbetrekking, die in het gegeven geval (vgl. no. 12 j°. no. 8), ondergeschikt is aan het onderwerp der hoofdvordering, en een daarvan afhankelijk gevolg. — Hierbij is het dan niet de vraag of partijen, doch of de rechter de vordering als accessoir beschouwt.

§ 2.

Incompetentie voor de hoofdvordering.

33. Incompetentie voor de hoofdvordering brengt mee die voor den accessoiren eisch, tenzij het tegendeel volgt uit speciale wetsbepaling (vgl. ook § 8). Dit beginsel is door de jurisprudentie toegepast in de volgende gevallen:

33. A. a. Is de rechterlijke macht incompetent in de hoofdvordering, dan óók in de accessoire tot schadevergoeding. In dien zin H. R. 21 Dec. 1900 W. 7537, enz. (vermeld hiervóór sub no. 12 en sub Alg. Begins. IX no. 31), hier op overweging dat de accessoire eisch zoo innig samenhing met de hoofdvordering, dat zij zonder beoordeeling van deze niet kon onderzocht. Dit laatste nu zal wel bij eiken werkelijk accessoiren eisch het geval zijn. Als argument is het intusschen, althans zoolang art. 1958 B. W. naar het thans aanhangig Ontw.wijziging boek IY B. W. geen wet is geworden, niet voor alle gevallen vrij van bedenking, — zoo men meent te moeten onderscheiden tusschen hetgeen de rechter louter praejudicieel onderzoekt en datgene, waarover hij

Sluiten