Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een bindende uitspraak geeft, zie Alg. Begins. XIV no. 7. Hier echter gold het niet een zuiver praejudicieele beoordeeling, omdat over de onrechtmatigheid der daad als integreerend deel van het onderwerp der vordering tot schadevergoeding, noodzakelijk bindend , zou moeten worden beslist, en juist daaromtrent op de hoofdvordering was overwogen dat de rechterlijke macht hiertoe incompetent was. Vgl. Alg. Begins. IX nos. 44—46; XIV nos. 4, 7 en 8; XV nos. 1—4, 13, 21 en 25.

Bij het hier geciteerde arrest van 1900 werd de cassatie verworpen tegen Hof 'sGrav. 5 April 1899 W. 7287, P. v. J. 1899 no. 69, W. B. A. 2612, waarbij omtrent den accessoiren eisch tot schadevergoeding was geoordeeld, dat hij het lot deelde van het publiekrechtelijk geschil. Vgl. ook het vonnis a quo: Rb. Dordt 30 Juni 1897 W. 7092, P. v. J. LI. — In gelijken zin als deze beslissingen ook Rb. Gron. 14 Maart 1862 W. 2373, R. B. 1863 p. 806 en Rb. Arnhem 16 Okt. 1851 W. 1277, G. st. 7.— Zie ook Rb. Amst. 9 April 1845 R. B. 1845 p. 618, R.spr. 34 § 97 voor de daar ingestelde geldvordering.

Meer in het algemeen dan bij het voormelde arrest van 1900 werd de incompetentie der rechterlijke macht voor het in den aanhef van dit no. 23 bedoelde geval ook uitgesproken door Hof Z.-Holl. 28 Okt. 1872 W. 3529, G. st. 1108. In gelijken geest het daarbij bevestigde vonnis Rb. Brielle 19 Jan. 1872 W. 3443. (In cassatie werd de hoofdvordering wèl ter competentie der rechterlijke macht geoordeeld door H. R. 17 Okt. 1873 W. 3646, enz., zie nader op art. 2 R. O.). Zie ook Hof friesland 27 Juni 1860 W. 2208 (2185) j°. H. R. 22 Maart 1861 W. 2259, R.spr. 67 § 41, v. d. Hon. B. R. 25 p. 88. — Zie verder Rb. Gron. lODec. 1875 W. 4035: De accessoire eisch tot schadevergoeding kan de rechterlijke macht niet bevoegd maken, als zij incompetent is voor de principale vordering (deze laatste werd in hooger beroep wèl ter competentie der rechterlijke macht geoordeeld door Hof Leeuw. 20 Dec. 1876 W. 4115, zie nader op art. 2 R. O.).

In anderen zin dan de voormelde jurisprudentie: Rb. Maastricht 11 Jan. .1856 W. 1770, G. st. 254, implicite zich competent

Sluiten