Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ratione materiae), artt. 141 lid 3, 158 lid 1 en 159 lid 2 1>\., en daarbij Faure 1.1. p. 123, 135—138.

§ 3.

Competentie voor de hoofdvordering.

Ï8. In hoever brengt competentie voor de hoofdvordering mede die voor den accessoiren eisch — behoudens speciale wetsbepaling omtrent de laatste — ? (Bij het hier volgende vgl. ook § 8.) — De hier bedoelde competentie wordt onbetwist aangenomen, als de rechter die competent is voor de hoofdvordering, dit tevens zou zijn voor de accessoire, ook al ware zij zelfstandig aangebracht. Dat dan de competentie voor den accessoiren eisch niet berust op die voor de hoofd vordering, doch op de wettelijke bepalingen, waaronder de accessoire valt, is duidelijk.

Zoo ten opzichte van de competentie der rechterlijke macht, de jurisprudentie hier volgend onder nos. 29—31.

«O. A. a. Als hiervóór in no. 28 is aangegeven besliste implicite voor een accessoiren eisch tot schadevergoeding bij een eigendomsvordering H. R. 20Dec. 1844 W. 579 (aldaar abusievelijk gedateerd 2 Jan. 1845), R.spr. 19 § 62, v. d. Hon. B. R. 6 p. 203 (dit arrest is echter gemotiveerd als gold het een hoofdvordering tot schadevergoeding), alsmede in de procedures over het Groningsche Achtvoetspad: Hof Leeuw, arresten van 14 Sept. 1881 W. 4682, R. B. 1882 D p. 5, en van 24 Febr. 1892 W. 6162, G. st. 2125; vgl. het vonnis a quo: Rb. Gron. 12 April 1889 W. 5743. Zoo ook uitdrukkelijk Rb. Middelb. 20 Okt. 1880 W. 4640, R. B. 1882 A p. 73, W. B. A. 1672. Insgelijks, implicite, voor den accessoiren eisch tot schadevergoeding bij een bezitsvordering: Rb. Almelo 30 Sept. 1903 W. 8177; Rb. Amst. 19 April 1876 R. B. 1879 A p. 94, P. v. J. 1876 Bijbl. 23; Rb. Deventer 16 Maart 1864 W. 2616, R. B. 1865 p. 108; Rb. Nijmeg. 30 Juni 1860 W. 2204, G. st. 471, W. B. A. 583, en Rb. Breda 13 April 1858 W. 1985 en 2029, R.spr. 65 § 62. — Voorzoover deze

Sluiten