Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. R. van 1892. — Tegen de opvatting dat de bedoelde vordering der civiele partij een accessoir is van de strafzaak zie hiervóór no. 14.

39. D. Voor de vraag, of de leer dat de competentie voor de hoofdvordering meebrengt die voor de accessoire, gesteld dat die leer overigens algemeen opgaat (vgl. hierna no. 56), — ook dan geldt, als voor den accessoiren eisch een speciale wetsbepaling bestaat; en, zoo niet, wat dan rechtens is voor de competentie in de hoofdvordering, zie de hier volgende § 4.

§ 4.

Speciale wetsbepalingen over de competentie voor accessoire vorderingen. Van-waardeverklaring van conservatóire beslagen.

40. A. Ten opzichte der competentie voor de accessoire vorderingen tot van-waardeverklaring van een conservatoir beslag worden uiteenloopende meeningen gehuldigd in jurisprudentie en litteratuur. Vgl. hieromtrent behalve deze § 4, ook de opmerkingen in § 8 hierna. — Het verschil in opvatting vindt grootendeels zijn grond in oneenigheid over de strekking der betrekkelijke bepalingen van het Wetb. v. B. R. V., in het bizonder art. 788. Sommigen zijn van oordeel dat dit artikel een uitvloeisel is van het adagium accessorium (accessio) sequitur principale, dat dan volgens hen zou gelden boven den tekst van het wetsartikel. Zoo, deels uitdrukkelijk, deels implicite, voor de relatieve competentie-. Rb. 'sHertogenb. 4 of 27 Okt. 1841 W. 247, R.spr. 11 §106, en Rb. Maastr. 14 Okt, 1847 R, B. 1847 p. 807. Insgelijks Rb. Arnhem 16 Nov. 1848 W. 1005, R. B. 1849 p. 187, hoewel van de zooeven genoemde beslissingen afwijkend voor de strekking van art. 314 in verband met art 738 Rv. Zie hierna in no. 44 sub b de daar vermelde jurisprudentie in anderen zin dan de hier geciteerde. Bij deze laatste vgl. ook v. d. Honert's Formulierboek, 5e ed. 1905, p. 331 nt. 620. Welke de jongste jurisprudentie is, waarop die noot zich beroept, is mij niet bekend; vgl. de hier volgende nos. 41—48. Is bedoeld die, welke het geval betreft

Sluiten