Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4e ed. 3 p. 156; D. S. v. Emden, Handl. B. R. Y. 2 p. 376, en A. P. Th. Eyssell, geciteerd hiervóór in 110. 38 sub i, p. 51—53. De vraag is hier m. i. deze, of het pandbeslag is een rechtsmiddel voor het persoonlijk recht van den verhuurder tegen den huurder, dan wel voor een in art. 1186 lid 1 i. f. B. W. hem toegekend zakelijk recht, zelf een accessoir van zijn persoonlijk recht fop gelijke wijze als pand en hypotheek dit zijn). Vgl. de commentatoren op artt. 1186 en 1188 B. W. en Faure, 1.1. p. 353—355.

418. C. Naar de motiveering sluit zich bij de sub no. 40 hiervóór vermelde beslissingen, als mede uitgaande van de spreuk: accessorium sequitur principale, ook aan H. R. 31 Okt. 1845 W. 654, R.spr. 22 § 54, v. d. Hon. B. R. 7 p. 161, R. B. 1845 p. 765; in gelijken zin het vonnis in eersten aanleg, Rb. Amst. 28 Sept. 1843 R. B. 1844 p. 216. De beslissing zelf gold hier een compromis, en daar hierbij kan worden afgeweken van de wettelijke competentieregeling, is die beslissing, beschouwd afgescheiden van haar motiveering, niet in strijd met art. 738 Ilv. Zoo ook Oudeman, B. R. V. 4e ed. 3 p. 132—133. Ygl. ook de daar geciteerde litteratuur. In den zin dier beslissing van 1845 ook Hof Amst., arresten van 23 Jan. 1903 P. v. J. no. 258, en van 11 Jan. 1878 W. 4243, R. B. 1879 A. p. 55; vgl. nog Rb. Rott. 21 Dec. 1878 W. 4329, P. v. J. 1879 Bijbl. 5, R. B. 1879 B p. 89. Anders Rb. Gron. 26 Mei 1865 R. B. 1867 p. 651.

In gelijken zin als het voormelde arrest H. R. van 1845 voor een compromis, nu in verband met art. 734 Rv., Hof N.-Holl. 30 Dec. 1858 W. 2110, en, in verband met- art. 767 Rv., Rb. Middelb. 31 Jan. 1900 P. v. J. 1900 no. 86.

43. D. a. Voor de absolute competentie huldigt de jongste jurisprudentie van den H. R. de leer dat artt. 784 ev 738 Br. niet wijken voor het adagium accessio sequitur principale. Zoo voor art. 734 (hier in het speciale geval dat de hoofd vordering in appèl aanhangig was): H. B,. 4 Maart 1904 W. 8043, R.spr. 196 § 48, P. v. J. no. 329, casseerend het op dit punt in tegengestelden zin gewezen arrest Hof Amst. 17 April 1903; vgl. ook het vonnis in eersten aanleg: Rb. Utrecht 26 Juni 1901 W. 7676.

Sluiten