Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ingelijks voor art. 788: H. R. 12 Juni 1896 W. 6822, R.spr. 173 § 23, v. d. Hon. B. R. 62 p. 194, P. v. J. 1896 no. 70, W. v. N. R. 1408, casseerend het in tegengestelden zin gewezen arrest Hof 's Hertog. 10 Dec. 1895 W. 6750, P. v. J. 1.1., W. v. N. R. 1388, waarbij was vernietigd Rb. Maastricht 2 Mei 1895 \\ . 6697, P. v. J. 1.1. — In 1904 gold het de vraag, of competentie in de hoofdvordering meebrengt die voor de accessoire tot van-waardeverklaring, ondanks art. 734; in 1896 de vraag of incompetentie in de hoofdvordering ten gevolge heeft die voor de accessoire, ondanks art. 738. Vgl. ook W. v. Rossem Bzn., geciteerd hiervóór sub no. 40, p. 748 sub no. 1 op art. 734 en p. 755—756 sub no. 2 op art. 738.

b. In gelijken geest als gemelde arresten van den H. R. nu voor de vraag, of de Kantonrechter naar het adagium accessio sequitur principale competent kan zijn, ondanks artt. 734 ot 738 Rv., en die vraag dus ontkennend beantwoordend: Rb. Amst., vonnissen van 28 Nov. 1902 W. 7893 (voor art. 734), en van 15 Maart 1855 R. B. 1855 p. 290 (voor art. 738). Vgl. ook de analogie met art. 321 lid 2 Rv. - Hetzelfde gevoelen als dat der vorige beslissingen, is gehuldigd door de beide volgende, waarbij tevens de gevolgtrekking is gemaakt dat in dit geval ook voor de hoofdvordering de Rechtb. competent is. Zoo Rb. Amst. 18 Dec. 1839 R. B. 1840 p. 136 en 1842 p. 889 b, R.spr. 7 § 77 (voor art. 738), met beroep hierop dat de Rechtb. de gewone rechter is, en verwijzend naar het vroeger hier geldend recht (vgl. voor het oud-Hollandsch recht: Léon — v. Rossem nt. 1 ad no. 19 op art. 738 Rv.). In gelijken zin ook Rb. Haarlem 15 Okt. 1839 R.spr. 2 § 66 (voor art. 763 Rv.). — Met deze twee beslissingen van 1839 vereenigen zich Oudeman, B. R. A ., 4e ed. 3 p. 156 (zie ook p. 115 en 132—133) en dePinto, B. R. V. 2e ed. II, 2 p. 850; vgl. ook J. G. de Witt Hamek, Handb. voor de Ktgn. (1848) p. 79-83, en D. S. v. Emden, B. R. V. 2 p. 343.

c. Het zooeven vermelde vonnis Rb. Haarlem van 1839 overwoog dat de vordering tot van-waardeverklaring, hoewel oorspron-

Sluiten