Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijk accessoir van de principale, door de speciale wetsbepaling over de competentie dit karakter heeft verloren, waai door de principale vordering aan de accessoire ondergeschikt is gemaakt. Deze voorstelling der zaak moge op zich zelf niet vrij van bedenking zijn (vgl. ook no. 11 a. h. e. hiervóór), toch schijnt aan gemeld vonnis de juiste gedachte ten grondslag te liggen dat, waar de wet voor den eisch tot van-waardeverklaring van een beslag een specialen 'r echter aanwijst, deze hierdoor tevens competent wordt voor de tegelijk ingestelde hoofdvordering. Dit, omdat bindende vaststelling van het recht waarvoor beslag is gelegd, ligt opgesloten in de van-waardeverklaring van het beslag (ook afgezien van art. 751 Rv.). Immers het recht, waarvoor beslag wordt gelegd, individualiseert elk konkreet recht tot beslaglegging, is dus niet louter praejudicieel voor den eisch tot van-waarde verklaring, doch noodzakelijk mede zijn onderwerp. (Ygl. Alg. Begins. XIV no. 4). Zie ook Faure, Proc.recht I, Be ed. p. 419: „in zich sluit", en de beslissingen, vermeld sub nos. 44—48 hierna. — Het gevolg van het boven gezegde is dat aanwijzing van een specialen rechter voor den hier bedoelden eisch tot van-waardeverklaring in het algemeen meebrengt concurreerende competentie voor de hoofdvordering, ingeval beslag is gelegd, wat echter praktisch van weinig belang is, daar, zal het beslag van waarde verklaard worden, enkel de daarvoor aangewezen rechter kan worden ingeroepen. — Men zou kunnen zeggen: het arrest fundeert jurisdiktie, ware het niet dat deze uitdrukking speciaal wordt gebezigd voor het geval dat de competentie bepaald wordt door de plaats, waar het beslag is gelegd.

44. E. a. Een gelijk stelsel als dat der sub no. 43 genoemde vonnissen van 1839 is ten opzichte der hoofdvordering voor de relatieve competentie (vgl. hiervóór nos. 40—41) aangenomen, bij pandbeslag door Hof Zeeland 22 of 28 Juni 1842, vermeld hiervóór sub no. 41, met vernietiging van Rb. Middelb. 22 Sept. 1841 R. B. 1843 p. 244. Bij dit vonnis verklaarde de Rechtb. zich incompetent voor de hoofdvordering, en leidde hieruit af dat die tot van-waardeverklaring vooralsnog niet ontvankelijk was,

Sluiten