Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n.1. tot na beslissing der hoofdzaak door den daarvoor competenten rechter.

b. Tegen deze iaatste opvatting, voor beslag onder derden, Rb. Amst. 18 Dec. 1839, vermeld hiervóór in no. 43 sub b: toewijzing der hoofdvordering zou reeds een executorialen titel geven, en van-waard everklaring van het beslag overbodig maken. Ygl. ook Rb. Gron. 15 Mei 1882 W. 5389, en verder, mede voor beslag onder derden, met motiveering uit art. 751 Rv.: H. R. 22 Maart 1883 W. 4886, R.spr. 133 § 45, v. d. Hon. B. R. 48 p. 234, en Rb. Amst. 15 Maart 1855, vermeld hiervóór in no. 43 sub b: de hoofdvordering moet steeds gevoegd bij die tot van-waardeverklaring. Ygl. ook de drie eerste rechtsoverwegingen in het arrest Hof Arnhem 21 Febr. 1906 W. 8406. — Rb. Maastr. 12 Mei 1899 W. 7345 betrof het speciale geval dat voor de hoofdvordering een dwangbevel was uitgevaardigd, en is niet in strijd met het zooeven geciteerde arrest H. R. van 1883. — Zie voorts ook de hiervóór in no. 43 sub a vermeide arresten H. R. 12 Juni 1896 en Hof's Hertog. 10 Dec. 1895, beide voor de leer van het meergemeld arrest van 1883. — De bedenking tegen deze leer, ontleend aan het forum privilegiatum van den Staat, en geopperd in het proces voor H. R. 31 Okt. 1845 (zie W. 654), is met dit forum vervallen, doch kon ook vroeger opgelost door overweging dat bedoeld forum, als zeer speciaal, derogeerde aan de algemeene regeling der competentie voor vorderingen tot van-waardeverklaring in het Wetb. v. B. R. Y.

Bij dit no. 44 vgl. nos. 43 en 45—48. Het in 110. 43 sub c gezegde over de hoofdvordering geldt mede voor de relatieve competentie.

l.V F. a. De leer dat de competentie voor den eisch tot vanwaardeverklaring meebrengt die voor de tegelijk ingestelde hoofdvordering (vgl. nos. 43 sub c en 44 sub a) is, voor art. 767 Rv., ook gehuldigd door Hof Amst. 16 Maart 1894 W. 6503, vernietigend Rb. Haarlem 20 Juni 1893 W. 6389, waarbij deze twee vorderingen waren gesplitst voor de competentie. Ygl. Alg. Begins. VIII no. 13. In gelijken zin als het Hof zie W. v. Rossem Bzn., geciteerd hier-

Sluiten