Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór sub no. 40, p. 784 sub no. 8 op art. 767. — In deze materie (saisie foraine) werd daarentegen uit incompetentie voor de hoofdvordering ook die voor de van-waardeverklaring afgeleid, op grond van haar accessoir karakter, door Rb. Dordt 17 Juni 1885 W. 5271. In dit laatste stelsel zou art. 767 Rv. slechts kunnen worden toegepast, als de Nederlandsche rechter reeds competent is voor de hoofdvordering. In dien zin ook Rb. Middelb., vonnissen van 31 Jan. 1900 P. v. J. 1900 no. 86, en van 17 Okt. 1900 W. 7525, W. v. N. R. 1625; doch anders in appèl van dit laatste vonnis: Hof 'sGrav. 20 Januari 1902 W. 7778, P. v. J. no. 156, implicite op dit punt in gelijken geest als het zooeven geciteerde arrest Hof Amst. van 1894. — Rb. Amst. 4 Dec. 1903 W. 8059, W. v. N. R. 1800 leidde uit incompetentie voor de hoofdvordering, bij competentie krachtens art. 767 voor die tot van-waardeverklaring, af dat deze laatste moest worden afgewezen. Hiertegen vgl. het hiervóór in no. 43 sub c naar aanleiding van Rb. Haarlem

15 Okt. 1839 opgemerkte. Ygl. ook Rb. Amst. 30 Maart 1842 W. 331, R. B. 1842 p. 388, en speciaal de conclusie van het O. M. vóór dit vonnis. — In den zin der hier vermelde arresten van Hof Amst. van 1894 en Hof's Grav. van 1902, nog Rb. 's Grav.

16 Juni 1903 W. 7969. Zie ook Rb. Rott. 29 Juni 1859 R. B. 1860 p. 487: in het geval van art. 767 Rv. fundeert het beslag bij uitzondering jurisdiktie (vgl. sub no. 43 a. h. e. voor de beteekenis dezer uitdrukking). Implicite in gelijken zin Rb. Amst. 21 Febr. 1866 W. 2791 (aldaar s. d.), R. B. 1866 p. 677. Vgl. ook (voor handelszaken) Rb. Middelb. 23 Mei 1888 W. 5598, R. B. en B. III B. p. 216, en Hof Geld. 15 Dec. 1869 W. 3178, R. B. 1870 p. 518 met het vonnis a quo, Rb. Tiel 14 Mei 1869 "VV. 3156.

b. De leer der meergenoemde arresten Hof Amst. van 1894 en Hof' 's Grav. van 1902 is ook gehuldigd door sommige vonnissen, die art. 767 Rv. bij analogie toepasselijk achtten in het geval van art. 7S8 Rv., bij ontstentenis van woonplaats des schuldenaars in Nederland. Zoo Rb. Maastr. 28 Dec. 1895 W. 6763; Rb. Breda 19 Dec. 1865 W. 2801. — Rb. Amst. 4 Dec. 1903, in dit no. 45 sub a geciteerd, achtte art. 767 zelfs direkt toepasselijk, als uitzondering

Sluiten