Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op art. 788 (hier eigenlijk art. 757 B) Rv. — het gold hier gelden verschuldigd aan, niet: goederen van den debiteur, — doch met de hierboven sub a aangeduide, eenigszins verbijsteiende gevolgtrekking voor het geval van incompetentie in de hoofdvordering. — De analogische of direkte toepassing van art. 767 Rv., waar art. 788 geen Nederlandsch rechter aanwijst, is in de jurisprudentie echter uitzondering; zie nos. 47 jo. 46 hierna. Er tegen verklaart zich ook W. v. Rossem Bzn., geciteerd hiervóór sub no. 40, p. 756 nt. 3 en 4 (no. 2 op art. 738). — Over de verhouding van artt. 764 vlgg. tot artt. 735 vlgg. Rv. vgl. speciaal Rb. Amst. 21 Febr. 1866, in dit no. 45 sub a genoemd, en in gelijken geest Hof Utrecht 31 Jan. 1870 R. B. 1873 p. 304: artt. 764 vlgg. zijn niet toepasselijk bij derden-beslag. — Men houde hierbij echter in het oog dat art. 770 lid 2 (nieuw) uitdrukkelijk spreekt van een saisie foraine onder derden, doch enkel voor het geval dat goederen (van den schuldenaar, zie art. 764) in beslag zijn genomen. Hierdoor zijn dan ook de vorige artikelen van toepassing; het gaat immers niet aan de bepaling van art. 770 lid 2 als niet bestaande te behandelen. We hebben hier niet te doen met een bloote onderstelling, waarvan de wetgever uitging, in 't midden latende of het onderstelde al dan niet zoo is, — een geval dat zich b.v. voordoet in art. 854 Rv., waar het bestaan van hoogei beroep op het vonnis over de daar bedoelde overtreding woidt in het midden gelaten, vgl. H. R. 21 Dec. 1906 W. 8473 p. 1 kol. 1_8, P. v. J. no. 604, W. B. A. 3009. In art. 770 lid 2 moet uit de woorden: „indien zij onder derden is gedaan", worden afgeleid dat de wet dit wil toelaten, waarbij het onverschillig is of de wetgever van 1896 ten onrechte meende dat dit vroeger reeds gold. De oorsprong dezer bepaling is te vinden bij T. M. ü. Asser, Wet en Praktijk II (1895) p. 55 v. o. ja. p. 53; zie Hartogh en Cosman, De wet van 7 Juli 1897, Stbl. 103 (1897) p. 225 jX 207 en 211; vgl. ook Hartogh, Voorstel van wet tot wijziging van het Wetb. v. B. R. V. II (1895) p. 10 v. o. Zie verder hieromtrent

de hier volgende nos. 46—48.

■40. G. u. In den regel wordt door de jurisprudentie bij con-

Sluiten