Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaring van een gerechtelijk aanbod en consignatie, door Rb. Amst. 12 Nov. 1891 W. 6142, P. v. J. 1892 no. 56; zie de motiveering van dit vonnis t. a. p. Daarbij werd bedoelde vordering noch persoonlijk noch onpersoonlijk geacht, doch de maatstaf voor haar competentie gezocht in die voor de „vordering", naar aanleiding waarvan de van-waardeverklaring wordt gevraagd. Hier staat „vordering" tegelijk voor schuld- en rechts-vordering. Dit volgt eenerzijds uit de verwijzing naar de competentie, anderzijds hieruit dat er niet waren ingesteld twee vorderingen, waarvan de een accessoir kon zijn van de andere, doch enkel één zelfstandige eisch tot van-waardeverklaring. Te zeggen dat het onderwerp daarvan is de schuldvordering, waarop die eisch betrekking heeft, daar hij strekt tot haar ontkenning, zij het ingevolge het vonnis zelf (vgl. ook Ktg. Gron. 21 Maart 1845 R. B. 1846 p. 460), — is iets anders dan het afhankelijk stellen der competentie ten deze van die voor een niet ingestelde rechtsvordering, gelijk het aangehaalde vonnis der Amsterdamsche Reclitb. van 1891 doet. — Een gelijke redeneering als gemeld vonnis volgde Rb. Alkmaar 1 Maart 1894 W. 6531, P. v. J. 1894 no. 35, uit welke beslissing niet blijkt dat inderdaad aanhangig was een (hoofd)geschil over de kosten, zooals daar bedoeld, waaruit de ingestelde vordering tot van-waardeverklaring van het aanbod zou voortspruiten. — Vgl. hierbij ook het in den aanhef van rio. 5 hiervóór opgemerkte over het daar geciteerde vonnis Rb. Utrecht van 1861.

Voor de competentie in de hier (no. 50) genoemde vordering zie nader op art. 38 R. O.

§ 6.

Vatbaarheid voor hooger beroep van vonnissen op accessoire

vorderingen.

51. a. Voor de appellabiliteit van vonnissen op accessoire vorderingen huldigt de jurisprudentie de leer dat deze afhangt van de appellabiliteit van het vonnis op de hoofdzaak (vgl. ook

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1. 8

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten