Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nos. 56 en 57 hierna). — Zoo de volgende beslissingen, alle vermeld hiervóór sub no. 18: H. R. 4 April 1902 j. Hof Amst. 1 Febr. 1901 (hier gold het wel buitendien een kwestie van vereffening, beschouwd als voortzetting der hoofdzaak — zie Alg. Beg. XII —, maar het arrest van den H. R. motiveert met het accessoir karakter der vordering); H. R. 26 Nov. 1847, en Hof Overijssel 28 April 1878. — Verder H. R. 29 Jan. 1864, geciteerd hiervóór sub no. 15. — Insgelijks de volgende beslissingen, vermeld hiervóór sub no. 6: H. R. 2 Jan. 1885; 22 Febr. 1850; Hof 's Grav. 12 Dec. 1898, terwijl de aan die van het Hof tegengestelde uitspraak van H. R. van 28 April 1899 berustte op den niet-accessoiren aard der vordering. Ygl. hierbij Alg. Begins. XIII no. 31 sub a. — Zie ook het slot van het arrest Hof N.-Brab. 17 Nov. 1840 R.spr. 6 §22, en Rb. Assen 20 Okt. 1884 W. 5423 (te vermelden op art. 42 R. O.). — Met deze beslissingen is niet in strijd H. R. 28 Mei 1852, geciteerd hiervóór sub no. 8, daar uit niets blijkt dat dit arrest de opvatting deelde van het vonnis a quo, als zou de eisch tot schadevergoeding hier accessoir zijn geweest. — Zie verder het hier volgend no. 52.

58. b. Het beginsel der in 't voorafgaande no. 51 vermelde jurisprudentie is in het bizonder gehuldigd voor de accessoire vordering van proceskosten. Zoo H. R. 23 Okt. 1896 W. 6876, R.spr. 174 § 11, v. d. Hon. B. R. 62 p. 258, P. v. J. 1896 no. 92, casseerend Hof Amst. 28 Febr. 1896 W. 6783, bij welk laatste arrest de appellabiliteit van een veroordeeling in de kosten — op grond dat deze in casu niet een accessoiren eisch zou gelden (zie het arrest nader op art. 54 R. O.) — afhankelijk was gesteld van het bedrag dier veroordeeling, waartegen vgl. Hm. in zijn aanteekening op het arrest in W. 6783. In gelijken geest als bij dit arrest had hetzelfde Hof reeds beslist bij dat van 14 Sept. 1894 W. 6571, waartegen zie de aanteekening der Red. 1.1. Vgl. ook Hof 's Hertog, 26 Jan. 1880 W. 4484, R. B. en B. IV A p. 122, dat, na eerst het beginsel te hebben aanvaard dat de appellabiliteit eener uitspraak over de kosten afhankelijk

Sluiten