Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is van die over de hoofdvordering, toch nog overwoog dat de veroordeeling in de proceskosten vatbaar was voor hooger beroep, als op zich zelf van onbepaalde waarde, waartegen de inzender in W. 4484. — De H. R. had reeds evenals bij bovengemeld arrest van 1896 beslist bij dat van 22 Juni 1888, geciteerd hiervóór sub no. 19, voor het geval de hoofdvordering was ingetrokken. Voor hetzelfde geval in gelijken zin Hof Arnhem 11 Maart 1903 W. 7936. — Wegens het onafscheidelijk verband, waarin de veroordeeling voor de kosten staat tot de principale zaak, is zij ook appellabel geacht, waar de hoofdzaak het was, door Rb. Gron. 5 Jan. 1849 R. B. 1851 p. 70, waarbij vgl. 1.1. p. 72 de noot van J. v. Hall op deze beslissing.

De zaak, waarin het vonnis over de proceskosten wordt gewezen, blijft altijd die, aangebracht door de hoofdvordering (zie art. 332 Rv.). Vgl. de sub no. 19 hiervóór geciteerden, en het aldaar aangeteekende over den bizonderen aard der kostenvordering.

Vgl. ook no. 57 hierna, alsmede het hier volgend no. 53.

§

53. Een andere vraag dan de in § 6 behandelde is die, in hoever de accessoire eisch meetelt bij de berekening der waarde (beloop) van de geheele vordering voor appellabiliteit èn competentie, waaromtrent zie nader vóór art. 38 R. 0. Vgl. ook op art. 56 lid 3 R. O. de jurisprudentie betreffende de competentie van den strafrechter, waar de beleedigde partij bij zijn hoofdeisch tot schadevergoeding in geld, ook aanplakking van het vonnis ten koste zijner tegenpartij heeft gevorderd.

§ 8.

Slotopmerkingen.

54. A. Het adagium accessio sequitur principale wordt voor competentie en appellabiliteit bij accessoire vorderingen vaak als een axioma behandeld, waarvoor zelfs uitdrukkelijke wetsbe-

Sluiten